Bonhoeffer’s moeite met Barth

Een aantal gemeenteleden schreef me de afgelopen weken. De vragen die zij aan de orde stelden zouden samengevat kunnen worden met: Moet het, als het gaat om het stichten van vrede, het teweegbrengen van liefde voor de naaste en het je inzetten voor gerechtigheid, -moet het dan uit de mens komen óf (en de briefschrijvers tendeerden in die richting) moet het uit God komen? Ik vind de vraag: óf het een óf het ander, niet helpend. Dat heeft met mijn verstaan van Jezus te maken. Hij was voluit mens. Dat geloof ik.

Ik weet wel dat ik me daarmee op glad ijs begeef. In de jaren tachtig heb ik het al eens -in dagblad Trouw- opgenomen voor een film over Jezus onder directie van Martin Scorsese. Een film die destijds door gereformeerde gelovigen zeer fel werd aangevallen, en wel omdat Jezus daar te menselijk zou zijn afgebeeld. Zo had hij in de film gevoelens voor Maria van Magdala. Een duivelse film was het in gereformeerde ogen. Ik vond echter dat Jezus bij Scorsese zelfs nog te god-achtig was gebleven.

De (theologische) verdediging van degenen die de film aanvielen was dan steevast dat Jezus, toen hij op aarde rondliep, weliswaar op een mens léék maar niet werkelijk een mens wás; anders dus dan wij mensen zijn; hij was en bleef namelijk god, in de gedaante van een mens. En wanneer je hem menselijk neerzet, zoals in de film, dan bespot je… God! Ik heb dat toen bestreden en erop gewezen dat Jezus juist als méns, “die het aan God gelijk zijn niet als een roof heeft geacht”, geen roofgoed dus, niet bepaald begerenswaardig, – dat Jezus juist als méns de functie, de rol, van “god” in ons midden heeft vervuld.

Dat heeft tot een “kwestie” geleid waarbij ingenieur Jan van der Graaf, algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond, in zijn blad De Waarheidsvriend onvriendelijk vaststelde dat ds Van den Herik niet in de kerk thuishoorde en er dus een afzettingsprocedure diende te volgen. Gelukkig vond mijn (gereformeerde) kerkenraad dat toen een volstrekt onzinnige gedachte.

Enfin, dat kwam dus goed, maar daarom geloof ik ook vandaag de dag nog steeds niet in “of-of” in de theologie (moet het uit de mens óf uit God komen?) maar in “en”. Het moet namelijk uit de mens komen. Uit ons. Anders komt het niet. Wij worden aangesproken om op te staan. Er zijn generaties geweest die hebben gebeden: “O mocht er ooit een generatie komen die zich werkelijk keert tegen onrecht en geweld…” Wij moeten het voor mogelijk houden dat wij, anno 2018, die generatie zijn waarom destijds gebeden werd. Waarom zouden wij dat namelijk níet zijn?

En… (daar is het “en”!) moeten we dat dan beschouwen als “uit God”, wat we dan doen? Dat is niet aan ons zelf, maar hooguit aan anderen, om te beoordelen. Dat oordeel past ons niet. Sterker, dat moeten we zelfs vér van ons houden, om niet alles te perverteren. “Wanneer hebben wij U te eten gegeven en te drinken?” zo vragen de rechtvaardigen zich oprecht af in de gelijkenis (Math 25: 37). Ze zijn het zich namelijk volstrekt níet bewust. Dat is geen onnozelheid van de rechtvaardigen die wel beter zullen weten en hier sociaal gewenst gedrag vertonen, valse bescheidenheid, nee dat is een serieuze waarschuwing van Jezus. “Sta op en maak het waar”. Maar leg daar nooit de druk op dat dat wat je doet namens God zou zijn. Doe het “gewoon” (Etsi Deus non Daretur)!

Over deze problematiek (want dat is het wel, uiteraard) hadden twee bevriende theologen uit de vorige eeuw, Dietrich Bonhoeffer en Karl Barth verschil van mening. Bonhoeffer was kritisch op Barth en vond dat het bij hem toch teveel theologie, mooi en schoon dénken, bleef en dat er te weinig “van kwam”. Dat er te weinig daadwerkelijk gebéurde. Te weinig concreet werd gedáán tegen onrecht en geweld.

Zoals u wellicht weet heeft Bonhoeffer mee gedaan aan een -overigens mislukte- aanslag op Hitler. Uit de gevangenis heeft hij in de jaren die daarop volgde behartenswaardige brieven geschreven. Die nodig gelezen dienen te worden. Doe dat eens, en neem dan bijvoorbeeld de brief van 30 april 1944, waarin Bonhoeffer pleit voor een “a-religieus christendom”. Dat er overigens nog steeds niet pregnant is. Maar Bonhoeffer blijft daarmee wel uitermate actueel. En zijn tijd, én dus de onze, vooralsnog ver vooruit.

Share This!

One thought on “Bonhoeffer’s moeite met Barth

  1. Deze tekst spreekt mij heel erg aan. Hij is niet van mezelf, maar ik sta er volledig achter en hij sluit aan bij wat jij schreef Jurgen!

    Buber & Rosenzweig hebben in de mooiste en beste bijbelvertaling van alle tijden de joodse dichters en geleerden gevolgd die zeiden: ‘Er staat niet liefhebben als jezelf, maar diegene liefhebben, die is als jij.’
    Dat is de eerste en meest directe reden om de naaste lief te hebben: hij/zij is een mens als jij, niet meer, vooral ook niet minder. Daarmee sluit liefde ook aanvaarding in van anderen, met hun tekorten en gebreken, met wat er mogelijk niet aan ze deugt. Je kunt dat makkelijker van een ander verdragen als je je realiseert dat jij net zo bent.
     
    In Jezus’ antwoord op de vraag wat het grote gebod in de Torah is, dat wil zeggen wat het allerbelangrijkste is voor ons om in het leven te doen, wordt een =teken gezet tussen de liefde voor God en die voor de naaste. De liefde tot God werkt zich uit in onze houding tot de naaste. Je kunt het praktiseren van die liefde nog wat uitstellen door te vragen wie precies de naaste is, je kunt eindeloos door gaan over wie God is en je kunt je suf theoretiseren over de exacte definitie van liefde, maar dat zijn afleidingsmanoeuvres.
    In vogelvlucht: als wij God zeggen, hebben wij het over datgene waar Hij voor stáát: vrede, gerechtigheid, vrijheid, de grote begrippen in heel dat verhaal van Genesis tot Openbaring. De bevrijder-God, die is Hij.
    De naaste is degene met wie jij te maken krijgt en die daardoor iets voor je gaat betekenen.
    En de liefde – die kun je niet definiëren, niet afbakenen met woorden, want ze kent geen afbakening, geen grenzen. Ze is geborgenheid, genegenheid, toewijding; ze groeit als ze gevoed wordt; ze is een zacht woord in de nacht dat om antwoord vraagt; ze heeft een lange adem, is goedertieren en niet afgunstig; zelfs als je haar niet kent, ken je haar door je verlangen ernaar; alles bedekt ze, tegen alles in houdt ze het geloof vast en in alles de hoop.
    Dat en nog veel meer. Maar zo makkelijk als het is om er mooie woorden aan te wijden, liedjes over te zingen, gedichten over te schrijven, zo moeilijk is ze om werkelijk te dóen, om in waarachtigheid lief te hebben en om de liefde van anderen bij je toe te laten.
    Want de liefde verkeert permanent in wankel evenwicht: ze kan niet alleen maar van één kant komen; je kunt jezelf ook verliezen in een liefde die niet beantwoord wordt; soms is ze onmogelijk. De wereld is vol van mensen die teleurgesteld zijn in een ander, zich opzij gezet en versmaad voelen. Wat begint met sterke gevoelens van liefde kan eindigen in een diepe ervaring van eenzaamheid, liefde kan omslaan in haar tegendeel.
     
    God liefhebben met al wat in je is en je naaste liefhebben die is als jij. Die twee geboden zijn één, zegt Jezus. Je kunt niet God liefhebben zonder je naaste lief te hebben. Het een vindt zijn uitwerking in het andere. Ik verklaar ook het omgekeerde voor waar: als iemand naastenliefde betoont, heeft hij God lief, ook al is hij de grootste heiden en godloochenaar. Voor zijn liefde zal God hem lonen.
     
     

Comments are closed.