Wie moet er worden ontwikkeld? – over de rijke man en de arme Lazarus

Lukas 16:19-31

Een oud Russisch grapje. Uit de tijd dat daar lange rijen voor lege winkels stonden. Er was eens een man en die komt in een winkel en vraagt aan de man achter de toonbank: “Heeft u ook biefstuk?” “Nee”, zegt de man. “Dit is een vishandel. U moet hiernaast zijn, daar zit een slager. Hij is degene die geen biefstuk heeft.”
Er was eens… Elk verhaal dat zo begint, daarvan weten wij: dit is niet echt gebeurd, dit is een verhaal om ons iets te leren. Waarmee de verteller ons iets heel belangrijks wil inprenten. Een sprookje, maar ook sprookjes zijn ongelooflijk leerzaam.
Er was eens een rijke en er was een arme, met een naam: Lazarus. Dat is in de bijbel dé naam van dé arme. Lazarus betekent dan ook: “God helpt”. Het is de griekse vorm van het hebreeuwse “Eliëzer” van “El”, wat “God” betekent, en “ézèr”, wat “helper” betekent. Ik sla mij ogen op naar de bergen, vanwaar zal mijn “ézèr” komen?
Heel belangrijk dat u die naam leert begrijpen: Lazarus… God helpt. De eerste mens die door Jezus uit de dood wordt weggeroepen!
Er was eens een arme, met de naam Lazarus, …en er was een rijke man die geen naam mocht hebben. Die mooi en meeslepend leefde. Meeslepend vooral. Lazarus was neergelegd voor zijn poort. Vrienden die hem daar hebben neergelegd hebben dat bewust niet gedaan voor de poort van een gíerige vrek. Want voor de poort van een gierige vrek ga je zeker dood. De rijke zal dus heus wel geweten hebben dat Lazarus daar lag en regelmatig met een staartje wijn of een kippenpootje naar buiten gekomen zijn. “Hier, voor jou, geniet jij er ook maar es van”. Die twee kenden elkaar, blijkt ook straks.
Maar dan gebeurt er iets. Dat wat eerst tamelijk vredig en vrijblijvend lijkt komt plotseling onder het teken te staan van: “Nu is het te laat…” Ze sterven. Lazarus zowel als de rijke-zonder-naam. In de praktijk zal een rijke in zo’n geval in een plechtige stoet naar zijn laatste rustplaats zijn begeleid in een koets met paarden ervoor en Lazarus daarentegen op een platte kar de stad uitgereden en op het open veld in een kuil gekieperd. Maar in werkelijkheid werd Lazarus door de engelen gedragen in de schoot van Abraham.
We lezen daar meestal snel overheen. Maar het enige verhaal dat Jezus vertelt over zoiets als de hemel is dit verhaal. En de vader in de hemel is in dit verhaal: Vader Abraham. Dat kunnen we begrijpen wanneer we bedenken dat Jezus nog niet bekend was met zoiets als het dogma van de triniteit want dat is pas in de vierde eeuw uitgevonden. Op het concilie van Nicea is in 325 na Christus pas vastgesteld dat Jezus gelijk is aan God de Schepper, qua goddelijkheid, vóór die tijd was Jezus dus lager in rang, en niet god, of goddelijk. En op het concilie van Constantinopel in 385 is vastgesteld dat, behalve Jezus, nu voortaan óók de Geest als goddelijk diende te worden beschouwd. Waarna op het concilie van Chalcedon in het jaar 451 na Christus het dogma van de Triniteit is ontworpen. Dus 450 jaar daarvóór had Jezus daarvan uiteraard nog geen flauw idee!
Tegen zijn medebroeders zegt Jezus: “Dat hebben jullie heel góed gezegd, heel juist!” De vraag van Jezus was namelijk: “Wie is de Vader in de hemel?” Waarop zij zeiden: “Dat is Vader Abraham”. “Heel juist”, reageert Jezus dan.
De rijke zegt dan ook niet: “Ik heb met u niks te maken, meneer Abraham, ik wil de Baas zelf spreken. Want ik heb een klacht.”
Goed, dat vindt u dus in het evangelie van Johannes, dat is eind eerste en begin tweede eeuw! Dan is het blijkbaar nog heel gewoon om het zo te zeggen: “Onze Vader, wie dat is? Dat is Vader Abraham”.
Overigens: het werkt in de bijbel precies zo als in de kerk. De bijbel begint ook nooit met God-in-het-algemeen. De bijbel zal dus nergens zeggen dat God bestaat. In het algemeen. Zomaar. Zonder eerst aan te geven hoe die god dan is. Het gaat ook in de bijbel zelf omgekeerd. De bijbel vraagt zich altijd af: is er iets of iemand in ons leven die wat ons betreft de naam “God” verdient?
Jawel, voor Joden, en voor Jezus, was dat Abraham, Onze Vader. Of: de uittocht uit Egypte, of: het koningschap van David. Voor ons, of in elk geval voor mij, is dat: Jezus van Nazareth. Hij is voor mij een mens die zó leefde dat Hij wat mij betreft de naam “God” verdient, en wáár maakt.
Lazarus, daar hadden we het over, een belangrijke naam, voor Jezus in elk geval, want Jezus stelt hem meer dan eens present: God helpt. Lazarus dus in het hiernamaals zittend in de schoot van God, en die dan in de persoon van Vader Abraham.
En dan slaat de rijke zijn ogen op. Hij doet iets waarvan hij plotseling beseft dat hij dat eerder had moeten doen maar niet deed… Twee dingen: Hij ziet óp tegen de arme op wie hij zijn leven lang heeft neergekeken. Die daar beneden aan zijn poort lag. Waaraan hij nooit voorbij liep, integendeel. Hij kent hem bij name. Blijkt. “Lazarus. Dat is Lazarus, daarboven.” Dat is één: Hij ziet op tegen degenen op wie wordt neergezien.
En: hij vraagt aan Abraham om de zending van Lazarus. Terwijl Lazarus welbeschouwd altijd al als een zendeling in zijn leven was! Om hem de ogen te openen voor de purperen armoei van zijn in luxe linnen gehulde bestaan.
Maar hij heeft Lazarus nooit als tot hem gezonden herkend en nooit tegen hem ópgezien als de oogappel van Vader Abraham. De rijke heeft zijn rijkdom misschien wel beschouwd als een zegen van de een of andere god, en de armoede van Lazarus als een straf van diezelfde godheid. En de kruimels die van zijn tafel vielen beschouwd als naastenliefde, hulp aan de armen, als diaconia. Maar is het dat ook? Is dat niet juist wat eraan ontbrak: de ware diaconia?
En wijzelf? Hoe zit dat met ons? Wij kennen: ontwikkelingssamenwerking. We moeten samenwerken met de arme landen, om te kunnen ontwikkelen. Maar de vraag is dan altijd: wie van de twee moet worden ontwikkeld? Wij kennen zoiets als zending, en werelddiaconaat, maar wie van de twee is dan de gezondene?
Wat ontbreekt speelt altijd een belangrijke rol en bepaalt dat wat is.
Goed, terug naar het hiernamaals zoals Jezus dat ons voorhoudt: nu, nu het te laat is, nu ziet de rijke dat de bordjes bij God al lang waren verhangen. En dat de onoverkomelijke kloof die voelbaar wordt nu het eenmaal te laat is de onoverkomelijke kloof is die er áltijd al was.
Had iemand hem dat niet kunnen vertellen? “Zendt Lazarus naar mijn broers, opdat ook zij niet komen in deze situatie van… shit, nu is het te laat! Laat hij hen gaan waarschuwen.”
En dan laat Jezus vader Abraham zeggen: “Nee, zij hebben Mozes en de profeten.” Als ze Lazarus niet “hebben”, Lazarus als zendeling, liggend aan de poort, dan hebben ze altijd nog: Mozes en de profeten, om te leren hoe de verhoudingen liggen, van God uit gezien. “En…”, dat vind ik één van de meest krasse boodschappen van Jezus, -Jezus vertélt dit verhaal tenslotte, en zegt dan zelf- “…als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, dan zal iemand die uit de doden opstaat ook geen enkele indruk op ze maken.” Dat is -qua christelijke boodschap- een heel bijzondere! Want de christelijke boodschap gaat toch over iemand die uit de doden opstaat? Maar los van de profetie van Israël zegt dat nog niet zo veel, blijkbaar.
De armen zijn Gods eregasten. In de schoot van Abraham, zijn ze. En de rijken moeten zich ontwikkelen en de juiste verhoudingen in het oog zien te krijgen. Tot hun eigen redding.
De armen zijn de “armoed-zaaiers” niet. Zij zijn het eerder die de armoede moeten slikken. Zij zijn dus veel meer de armoed-oogsters. Maar de eigenlijke zaaier van de armoede is degene die volgens het verhaal elke dag schitterend feest hield.
Lazarus en hen die in zijn naam gezonden zijn herinneren ons -in hun zending, de enige wáre zending onder de hemel- aan de armoei van ons rijke bestaan. Aan de leegte van ons leven vol schitterend feest. Het is nog niet te laat. Laten we niet te snel zeggen: het is nooit te laat. Nog niet te laat!
We moeten ons niet laten afleiden door kerkelijke beslommeringen want kerken zijn vaak groot geworden met kleingeestige beslommeringen. Met gedonder in de glazen kom je vaak het verst, naar menselijke maatstaven dan. Maar Jezus had iets anders vóór met de christelijke gemeente. Moeilijker en lastiger, maar véél beter. Jezus wil daar zijn in deze wereld, present zijn, daar waar de armen zijn. Bij zijn mensen, van wie hij de Koning wil wezen. “Kijk, die man die daar hangt, een gefusilleerde slaaf, dát is de koning der Joden…” Die wil dat wij om die reden bij hen behóren te zijn. Zijn minste broeders en zusters. Onder hen. Verbonden. En dan dus niet uit een soort sympathie voor de underdog, de gekruisigde is namelijk geen zielenpoot. -maar omdat zij de voorname gasten van Christus zijn, en dat dus ook in de gemeente van Christus behoren te zijn.
En natuurlijk staan we daar -tússen hen in- vervolgens met een mond vol tanden. En weten we niet onmiddellijk wat we moeten doen, wanneer we tot onze schrik zien wat de rauwe randen van onze samenleving te zien geven. Maar laten wij ons laten ontwikkelen door degene tot tot ons gezonden is. Want we zijn allemaal broeders en zusters in de Heer. Wereldwijd. En willen léven dichtbij Lazarus. God helpt.
Wij hoeven dus niet -andersom- God te helpen, of Hem een dienst te bewijzen. Lazarus betekent: God helpt. God dient. God wil niet gediend wórden. Daar zou nog veel over te zeggen zijn want dat zou een hoop leed op de wereld schelen, qua terrorisme bijvoorbeeld, als mensen die naam Lazarus goed konden spellen en begrijpen waarom die voor Jezus zó ongelooflijk belangrijk was.
We zijn hier bij elkaar om elkaar Gods helpende zegen toe te wensen en om ons voor te bereiden op het avondmaal, het lichaam van Christus vormen, samen… Geef elkaar daartoe een hand en wens elkaar:
Vrede met wat wás;
Vreugde met wat ís;
en de Geest die ons leert léven, de toekomst tegemoet.
Kunt u dat onthouden?
Vrede met wat wás;
Vreugde met wat ís;
en de Geest die ons leert léven, de toekomst tegemoet.
De Geest van onze Goede God, bij wie het niet gauw te laat is, en misschien wel nooit…
Zijn sprookjesachtige krachtige en waarachtige liefde wint. Heus.
Wie dat niet gelooft moet dan wellicht maar eens afwachten…
Maar, bind ik u op het hart: doe dat vooral niet al te lang. Dat afwachten.
Lazarus is eigenlijk de enige “rus” waarvan ik blij ben dat God die elke keer weer stuurt, zéndt.
Als zending, van de hemel uit, die hopelijk nóóit went.

Amen

Share This!