“Petrus… ik heb je nodig”

(Kerk-School-dienst 31 maart)

 

Drie keer…

Drie keer heeft Jezus aan mij gevraagd: “Petrus, heb je me lief?”
Na Pasen, na de opstanding.
Drie keer!

Eén keer, dat is nog tot daaraan toe.
Twee keer, kan ook nog.
Maar drie keer?

En elke keer heb ik “Ja, Heer” gezegd.
“Ja Heer, U weet toch dat ik u lief heb!”
Ik schaamde me kapot…!

Toen de anderen even weg waren
om wat houtskool te halen om de vis op te bakken,
toen heb ik onze meester Jezus even meegenomen
naar een stil plekje achter een dikke olijfboom.

“Was dat nou, Heer, omdat ik drie keer had gezegd,
daar bij dat vuur op die binnenplaats van dat huis van de Hogepriester,
-dat ik drie keer had gezegd:
“Nee hoor, ik ken Hem niet, ik hoor niet bij die man.”?

Ik dacht: Er kraait vast geen haan naar…
Maar ja hoor: kukelekuu.
En u had me gewaarschuwd.
Ik was ook zo’n…”

“Een opgewonden standje was je, een opstandig kereltje, Petrus”

“Ja, dat was ik.”

“Weet je nog dat je pardoes overboord stapte bij die storm op zee?
Je kwam niet ver hè? nee logisch.
Nooit uit je comfortzone stappen!
Dat doen ze over 20 eeuwen
en daar komen ze mee op de koffie, wat ik je brom.”

“Ja Heer, ik weet het nog goed.
Altijd geweest, een beetje heethoofd.
Vroeger al, weet u,
als ze me pestten dan gaf ik ze zomaar een oplawaai.
En dat gebeurde nogal eens.
Ik ben een vissersjongen hè? En dat is ruig volk.
Messentrekkers zijn het. Haringkieten.
Mien herder is mien redder…”

“Ik weet er alles van, Petrus, visserman,
het is de rand van de samenleving. De zelfkant.
Ik hou daarvan.”

“O ja?”

“Ja joh.
Dat deftige gedoe van die stiff-upperlip, well-to-do-people, die
-deftig sprekend- hun theetjes nuttigen,
met de pink omhoog,
maar ondertussen elkaars bloed wel kunnen drinken;
nee, daar kan ik me niet zo goed tussen bewegen.
Ik ben meer van “doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg”
en “stel je niet aan, aan iedereen mankeert wel wat””

“Ja”, zei ik… en dacht na.
Secondenlang…
Ik snapte er nog steeds geen biet van.

“Maar”, zei ik toen,
“vertelt U me nou eens, moest ik drie keer zeggen dat ik van U hou,
omdat ik drie keer…
Wilde u het mij betaald zetten? Was dát het?”

“Ach nee joh, hoe kom je dáár nou bij?
Ik ben niet zo van de firma “betaald zetten” hoor.
Wat geweest is is voorbij.
Ik kijk nooit achterom, daar koop je niks voor.
Ik kijk liever vooruit.

Weet je Petrus?
Kom, geef me een knuffel en laten we eerst een dansje maken.
Dan kan ik het beter duidelijk maken, ok?
Jij bent het begin van mijn vernieuwde gemeente
je moet mensen eerst laten dansen
en dan pas “mijn Pasen” proberen uit te leggen…”

(zingen) 839 NLB

Ik snap er nog niet veel van…
Weet u?

Ik ben geboren in de oorlog.
Trouwens u toch ook?
Nou dan weet u toch wel hoe het toen al was?
Er hing immers altijd al een enorme dreiging?
Ons volk staat onder gigantische druk.

De Romeinen die ons land bezetten moeten weg.

Wij zijn maar een klein joods volkje
onze voorouders waren slaven in Egypte,
we zijn slavenkinderen, met een slavengod die we vereren.
Maar die Romeinen, die zijn zo wreed en zo gewelddadig,
en die proberen ons opnieuw te verslaven, tot slaven te maken,
en als dat lukt…”

“Ja, wat dan, Petrus?”

“Nou ja, Heer, u moet nou niet zo onnozel doen, hoor,
dan zijn we weer in een soort Egypte terecht gekomen. Egypte 2.0.
En dan komen we daar nooit meer uit!
Dus die rot-romeinen moeten die moeten g…”

“Dood? Petrus, moeten ze dóód?”

“Nou ja… Wég in elk geval. Het land uit en de grenzen dicht.
Een grote hoge muur eromheen.”

“En daarom viel jij die romeinse soldaten aan met je vis-mes?
Maar… luister, die soldaten zijn ook maar bange jongens, Petrus
met een vrouw en kindjes thuis,
hiernaartoe gestuurd, ver weg van huis,
in een voor hen volstrekt vreemd land, waar ze niks van begrijpen,
de taal niet verstaan,
met oosterse messentrekkers zoals jij,
niet bepaald boreaal, zeg maar.
Doodsbange, jonge jongens zijn het…
En die moeten dood? Wat zou dat helpen, Petrus?”

“Ik wist het niet, Heer.
En toen u Jeruzalem binnenreed… toen dacht ik…”

“Ja, wat dacht je toen?”

“Toen dacht ik dat u hen het land uit zou rammen.
Met geweld.
Te paard.
Hoewel ik wel zag dat u op een ezeltje zat…”

“Het land uit rammen, zei je…?”

“Ja, Heer, daar hoopte ik op.
Ik meende dat God u gestuurd had.
Maar toen u gevangen werd genomen door die rot-romeinen,
en U ze niet vernederend had verslagen, maar zij -omgekeerd-
U begonnen af te tuigen… toen…”

“Toen dacht jij dat alles was mislukt?
Dat het niet van God kon zijn: zo’n slappe hap.
Dat het één grote sof was,
en dat wij joden vroeg of laat allemaal aan het gas zouden…”

“Ach ja, dat dacht ik, Heer, daar was ik doodsbang voor in elk geval
en daarom heb ik maar gezegd dat ik u niet kende.
Om net te doen alsof ik er niet bij hoorde,
bij die afgang, ze hebben gewonnen Heer, doet u dat dan niks?
Ze hebben U, ónze Meester, vernederd als een misdadiger…”

“Dat hebben ze niet. Ze weten niet wat ze doen. Snappen er niks van hier.
Wat weten zij van Exodus, Schepping, Shalom?
Weet je, Petrus, ik geloof in de liefde.
Niet de zoetsappige liefde maar de krachtige liefde.
De weg naar de vrede gaat niet over de doodskoppen van je vijanden.
Je kunt beter voor hen bidden dan ze een oor afhakken.

Was niet zo slim van je Petrus, als je dan toch erop inhakt,
kun je beter middenop die romeinse kop slaan en niet zo half erlangs.

Maar veel sterker en beter is het om met mij mee te doen.”

“Met u mee te doen?”

“Ja, en te geloven, zeker te weten, dat het vrede zal worden,
omdat Gód wil dat het vrede wordt!
En dat alle slachtoffers
van deze vreselijke bezetting door de keizer
zullen opstaan. Net zoals God Mij deed opstaan.

Niet alles wat er gebeurt is de wil van God, Petrus,
Maar wat God wil, dat gebeurt!

Ik ben nooit vergeten, geen dag, wat Gods engelen zongen bij mijn wieg.
Vrede op aarde want God houdt van mensen.
Ik geloof dat Gods liefde sterk is. Sterk als de dood.
Sterker dan het zwaard.
Veel en veel sterker.

En… drie keer vroeg ik jou of je met mij mee wilde doen.”

“Bedoelde u…?”

“Ja ik bedoelde met mijn vraag: of je van me houdt,
of je bij me wil blijven, met mij mee wil doen.
En geloven in de liefde.
Mijn liefde.
Daarom vroeg ik: heb je me lief?”

“Dus U wilde het mij niet betaald zetten?”

“Nee, natuurlijk niet, ik weet toch hoe bang je kan zijn
en hoe makkelijk je dan wegvlucht of net doet alsof je er niet bij hoort…?
Dacht je dat ik dat niet wist?”

“Maar waarom dan drie keer, Heer…?
Was één keer niet genoeg?”

“Nee, het was niet voor jou bedoeld; ik…
ik zelf had het nodig om het drie keer te horen.

Ik wilde er namelijk zeker van zijn dat je mij lief hebt,
want opstanding en Pasen, dat kan ik niet alleen, maar alleen sámen.
Ik had het nodig,
om zeker te weten dat je mijn bijzondere weg van liefde zou aanvaarden als dé weg, dé weg naar Gods vrede.

En nu ik daar zeker van ben, nu durf ik… het los te laten.
Pas jij op mijn schapen, lieve vriend!”

“Doe ik, You bet!”
“We blijven voor altijd verbonden, Petrus!”

“Voor altijd, Heer!
Whatever happens.”

En Jezus pakte mijn hoofd in zijn beide handen
ik voelde de littekens in zijn handpalmen als liefdes-bewijsjes
tegen mijn wangen.
En hij kuste me in mijn krullen.
En toen was hij weg.
Althans, voor het oog.

Maar hij zit voor altijd hier.
Hier van binnen!

Share This!