De Ster van Bethlehem, wat was dat eigenlijk?

Zit ik tijdens de kerstdagen wat te lezen in het blad “National Geographic”. Een onderhoudend magazine, dat zeker. Valt mijn oog op het artikel: “Wat was de Kerstster?” *, nr 01/2020, pag 16 en 17.

In dit semi-wetenschappelijke artikel wordt al meteen behoorlijk gerommeld. Zo weet de schrijver, dr. Lucas Ellerbroek, aan wiens wetenschappelijke know-how als astronoom en wis- en natuurkundige ik geen seconde twijfel, dat het om drie wijzen zou zijn gegaan, die hij “astrologen” noemt, en die de namen Balthasar, Caspar en Melchior zouden hebben gehad. De bijbel weet echter van niets!

Niets? nee: niets!

Dat het er drie zouden zijn geweest staat nergens namelijk. Evenmin hoe ze geheten zouden hebben. Een wetenschapper die zo slecht de Bijbelse teksten leest, kun je daar veel van verwachten op theologisch gebied?

In dit artikel wordt een aantal opties genoemd. De ster die de wijzen naar het huis bracht waar Jezus geboren werd was mogelijk een komeet. Deze eerste optie wordt echter meteen weer als onwaarschijnlijk van de hand gewezen. Bekende kometen als Halley waren in het jaar nul niet zichtbaar, zo weten we nu.

Tweede optie dan: de ster van Bethlehem was een supernova. Een zware ster die aan het einde van zijn leven implodeert en dan van alles aan lichteffecten uitbraakt. Er is echter slechts één supernova-rest bekend, afkomstig uit het begin van onze jaartelling, maar die staat aan de zuidelijke sterrenhemel en kan dus onmogelijk door de wijzen zijn waargenomen.

Derde, en -let wel- laatste optie: In het jaar 6 voor Christus was er een bijzondere samenstand van de planeten Jupiter en Saturnus. Deze planeten kwamen vlak voor zonsopgang op aan de oostelijke horizon, en omdat de aarde sneller rond de zon beweegt dan Saturnus en Jupiter haalde de aarde deze planeten als het ware door een binnenbocht in. Daardoor leken deze planeten steeds langzamer te gaan om uiteindelijk stil te staan. De ster van Bethlehem was dus geen ster. Maar een planeet. Liever: twee planeten samen.

Wat is er toch in hemelsnaam met de kerk gebeurd? Sinds de opkomst van de moderne wetenschap, zeg: zeventiende eeuw, heeft de kerk zich laten verleiden -om niet te zeggen laten misleiden- door wetenschappers die de bijbelse verhalen natuurhistorisch maar ongeloofwaardig vonden. Meestal.

‘Geef die Bijbel, die in de kerk op de kansel ligt, nu maar eens aan ons, wetenschappers, dan zullen wij eens wetenschappelijk bekijken wat daar zoal van klopt.’ Uitkomst: er klopt verrekt weinig van hoor. Onbetrouwbaar boek, die Bijbel. Niet echt gebeurd allemaal, zeg maar gerust.

In plaats van dat de kerk daarop zóu hebben gereageerd met: ‘Nogal wiedes. De Bijbel ís helemaal geen natuurhistorisch boek; het betreft liturgische teksten die geen gebeurtenissen beschrijven maar verhalen vertellen’, heeft de kerk iets heel anders gedaan, iets rampzaligs. Waardoor die brave kerk misschien wel niet meer te redden is. Ik zou althans niet weten hoe.

Zeventien eeuwen lang zijn in de Christenheid de bijbelse teksten on-historisch gelezen. Als literatuur. Wat ze ook zijn. Pas na de zeventiende eeuw en de opkomst van de moderne wetenschap heeft de kerk de onmogelijke tournure gemaakt door zich te trachten te verdedigen tegen iets dat de kerk beter naast zich neer had kunnen leggen: een wetenschap die de historische betrouwbaarheid van de teksten voor het grootste deel in twijfel trok.

En dan krijg je onder meer dit soort gekke artikelen. Want de optie die sinds het begin van de jaartelling de eerste optie was: de ster van Bethlehem is in het verhaal een goddelijke gestalte die -o, humor- gedwongen wordt om “magoi” (zo noemt Mattheus hen in het grieks: astrologen? koningen? wijzen? magiërs?) ertoe te brengen in plaats van in de sterren in een vluchtelingenkind als Jodenkoning te gaan geloven, is nog steeds de beste optie.

Hier is een knappe verteller, die niet in goden en machten gelooft, aan het werk die in zijn verhaal een ster bij de kladden grijpt en laat bewegen waarheen de schrijver maar wil. Het is geen astronomische ster. Ook geen astrologische. Het is een theologische ster waarmee verhaal-technisch een kostelijke, rijkelijk atheïstische, grap wordt uitgehaald.

Maar sinds de kerk alles is gaan lezen onder het motto: ‘Ja, hoor eens even hier: het is, voor de drommel, allemaal wél echt gebeurd!’ is er van enige literaire omgang met deze schitterende literatuur geen enkele sprake meer en bazelen we er binnen en buiten de kerk maar wat semi-wetenschappelijk op los.

Gemiste kans.

Wat erger is: de meeste mensen in de kerk menen dat het andersom zou zijn dan het in werkelijkheid is gegaan. Men denkt dat de Bijbel altijd al historisch gelezen werd en dat er een “moderne” aanval op de Bijbel zou zijn ontstaan door -liberale- lieden die dat in twijfel zijn gaan trekken. Zo is het dus niet. De moderne aanval is die van de moderne wetenschap, die sinds de zeventiende eeuw de Bijbel eerst mishandeld heeft als natuurhistorisch boek, wat het -nogmaals- niet is, en die vervolgens van dat boek heeft gezegd dat er niet bijster veel van klopt. Waarna de kerk uitriep: ‘Wel waar! Het klopt allemaal. Alles, van kaft tot kaft.’

Wat is nu het drama? Dit soort gebazel over een ster van Bethlehem, of over de Schepping in zeven dagen, en met Pasen over de Opstanding en met Hemelvaart over ruimtevaarders en ga zo maar door, leidt er vooral toe dat velen er maar de brui aan geven. De Bijbel die niet meer met eerbied wordt behandeld als wereldliteratuur, maar die een gebrekkig en onbetrouwbaar geschiedenisboek of natuurkundegeschrift zou zijn, daar hebben we niks meer mee.

Dit nummer van “National Geographic” gaat verder over het bestrijden van pijn.

Dat heb ik heel hard nodig nu.

* Wat was de Kerstster?