Pasen 2015

Soms moet er iets scheuren

Het is een oud gebruik om de paaspreek “Jezus is waarlijk opgestaan”,
dat is eigenlijk de hele paaspreek, -om de paaspreek te beginnen met een mopje.

Maar daar houden sommigen tegenwoordig niet zo van, van mopjes, hoewel dat al eeuwen usance is in de christelijke paasprediking.

Zo gaat er een joods mopje van een rabbijn die zich verantwoordt tegenover God en die dan zegt: “O God, ik ben een niets. Waardeloos. En ik weet het dat ik een nul ben.” Waarop een rijke zakenman ook opstond  en zich hard op de borst sloeg onder het uitroepen van: “O God, ik ben ook zo waardeloos. Geobsedeerd door materiele welstand. Ik ben niets.”
En na dit spektakel stond een eenvoudige joodse man op en sprak: “O God, ik ben niets.”

Waarop de zakenman de rabbijn aanschopt en in zijn oor fluistert, met minachting in zijn stem: “Wat een brutaliteit! Hoe ongepast! Wie is die vent wel die het in zijn hoofd durft te halen te claimen dat ook hij niets zou zijn?”

Paasmopjes gaan echter vaak over kippen en eieren. Waarbij de ene kip bijvoorbeeld aan de andere kip vraagt: “Hoe is het met je kinderen?” Waarop de ander antwoordt: “Goed hoor! De oudste is inmiddels advocaat.”
“En de jongste?” “Die is uitsmijter.”

Grappig. Onthullend ook. Hoe woorden in een andere context iets heel ánders kunnen gaan betekenen. En hoe dan een eerbiedwaardige man in een toga voor de rechtbank of een potig kereltje bij de deur van de disco, -in een andere setting overgebracht- zomaar kunnen veránderen in eier- producten.

Eén en hetzelfde woord “Advocaat” bijvoorbeeld, -in een andere context- krijgt een totaal andere betekenis.

Dat gaan we vanmorgen ook beleven met het woord ‘opstanding’. Zoals in het volgende mopje: “Jezus is waarlijk opgestaan”

Dat schreef een jongen op een vel papier onder aan de trap die van de slaapzolder naar beneden, naar de eetzaal ging, in het jeugdhotel waar hij met anderen -allemaal van de kerk- een paasweekend doorbracht. Een poosje later echter had iemand anders er in een onbewaakt moment wat onder geschreven. Waardoor er kwam te staan: “Jezus is waarlijk opgestaan en komt over vijf minuten naar beneden voor het ontbijt.”

Nou ja, zomaar drie mopjes. Nou, zomaar… Alle drie hebben ze aspecten die terugkomen in wat we vandaag als paasfeest vieren.

Wie gisteravond hier was weet dat het een rollercoaster gaat worden. Deze dienst. Paaskermis gaan we beleven.

Dit Pasen is zó bijzonder lieve mensen. We worden door het evangelie van Marcus, als hoorder, in beweging gezet, meegenomen op een manier die ons hele leven kan veranderen. Wat? Zal redden!

Dat het goed komt met ons, en met de wereld en met de mensen die daarop leven, dat is wat Marcus aan zijn lezers wil meegeven.

Gisteren hebben we het gehad over Jezus die door God is voorgesteld als verzoendeksel. Op de Ark. Met de twee cherubs, engelenfiguren er zo overheen gebogen. Als de plek dus waar God wil wonen. Jezus als verzoendeksel. Waar Jezus is daar is God. Niet in een tempel van voorbijmaar ergens anders, en gaandeweg wordt duidelijk wáár!

Het verzoendeksel was de plaats waar God woont, eerst in een tent. De tabernakel. Een tent voor trekkers, mensen in beweging. Arme mensen, voornamelijk slachtoffers van de slavernij in Egypte van wie God had gezegd: eer je vader en moeder die slaaf waren van de Farao en die dus aan den lijve hebben ondervonden wat dat is: de hel op aarde.

Je moet ze eren want ik heb hen bevrijd en zij weten waaruit. Tot in hun botten. Maar jullie, jullie moeten dat van horen zeggen hebben. En aan jullie de verantwoordelijkheid om er niet weer één groot Egypte van te maken. Eén groot slavenhuis.

Maar wat was er gebeurd? De Ark was in de tempel terecht gekomen en God ‘woonde’ nu niet meer in een tent voor trekkers maar in een stenen tempel voor blijvers. Niet meer in een verplaatsbare tent temidden van de armen maar in een gebouw van marmer en goud waar een grote offerkist stond opgesteld.

En Jezus gaat midden in het Marcus evangelie tegenover de offerkist zitten. Moet wel goed vertaald worden! Ik zag dat het hier en daar grandioos de mist in gaat. Jezus gaat niet ‘bij’ de offerkist zitten, of ‘terzijde ervan’, maar ‘ertegenover’. Een anti-positie neemt hij dus in. En als je een andere context kiest, niet die van ‘in’, of ‘bij’ die kist maar er lijnrecht tegenover, dan verandert alles van betekenis, en inhoud. Dan komen daar rijken die werpen wat van hun rijkdom in die offerkist. En er komt een arme weduwe die haar laatste penninkjes in die offerkist werpt. Alles wat ze heeft om nog van te leven!

En dan zegt Jezus dus niet: “Kijk eens wat mooi, wat die weduwe daar doet!” Dat laat de christelijke prediking Jezus vaak zeggen. Maar dan zou Jezus ‘naast’ de offerkist zitten. Maar als Jezus er niet naast zit maar ertegenover dan klinkt het veel meer vanuit een tegenbeweging, een anti-standpunt: “Kijk nou eens goed wat er wérkelijk gebeurt, wat ís dat: godsdienst? En wat is feitelijk een offerkist? Hoe werkt dat en waarom is dat zo’n ver-schrik-ke-lijk ding…? Wat voor mechanisme is een offerkist eigenlijk in de wereld van de godsdienst?

Kijk wat er gebeurt: De weduwe wordt daar tot op de laatste cent uitgeknepen…! En dáárom zullen deze ‘grote gebouwen’ worden afgebroken.

En van die tempel zegt Jezus: “reken erop dat er geen steen op de ander zal blijven”.

Maar… dan wordt dus ook de plek waar God woont verwoest! En waar woont God dan nog…? Nog steeds tussen de rijken?

Snapt u hoe spannend het is in het Marcus-evangelie? En wat is nu Pasen bij Marcus? Dat is dat God weer dáár komt waar Hij wil zijn. Bij mensen woont tot wie hij wil worden gerekend. Ubi caritas et amor, waar barmhartigheid is, en liefde, Deus ibi est…. daar, dáár woont God!

Hoe gáát dat dan? En nu komen we uit bij het Paasevangelie van Marcus. En ik verzeker u dat Marcus ons een hele beweging laat maken. Ik zal het proberen zo te laten horen dat u het mee kunt beleven. Dan moeten we letten op het woord ‘scheuren’. Als iets scheurt dan dringt er een nieuwe werkelijkheid dóór.

Dat gebeurt bijvoorbeeld als Jezus met een luide schreeuw de Geest geeft. Op dat moment scheurt het voorhangsel van de tempel in tweeën, van boven tot beneden. God is niet meer in het Heilige der Heiligen. De ruimte achter dat voorhangsel is ontmanteld, gedecontsrueerd. En op datzelfde moment roept een hoofdman over honderd die tegenover hem stond  -als vijand dus, want dat woord ‘tegenover’ duidt op tegenstand- …die hoofdman roept: “Waarlijk deze was de Zoon van God.”

Dat in die luide schreeuw van Jezus op het moment van zijn dood de plek die aan god was toebedeeld in die stenen tempel, waar aan economie werd gedaan, waar de geldhandel was, en de politiek, waar met de Romeinen werd samengewerkt door het sanhedrin, -de plek waarvan Jezus zegt: “Het zou een gebedshuis voor de weduwen moeten zijn maar er is een rovershol van gemaakt.

-Dat in die luide roep van Jezus de aan God ‘toebedeelde’ plek in de tempel bloot komt te liggen; en alle heiligheid daarmee verdampt als sneeuw voor de zon, dát brengt tot het inzicht, zelfs van de tegenstander, dat Jezus de Zoon van God is.

En dan, bij Marcus, op de eerste dag van de week, de zondag, gaan de vrouwen naar het graf. En dan vinden zij in dat graf een jongen gekleed in een wit lang kleed. En zij waren verbaasd… Jezus? In jonge gedaante?

Als jonge man?

En die jongen in dat witte kleed zegt: “Gij zoekt Jezus de Nazarener die gekruist is? Hij is opgestaan. Hij is hier niet. Zie de plaats waar ze hem gelegd hebben. Maar ga hiervandaan en zeg tegen zijn leerlingen dat hij voorgaat naar Galilea. Daar zult gij hem zien! Gelijk hij u gezegd heeft.”

En dat had hij ook, in Hoofdstuk 14. Tegen Petrus: “Als ik opgestaan zal zijnzal ik jullie voorgaan naar Galilea.”

Wat doet Marcus nu? Heel wonderlijk dit hoor, tenminste, als je wat feeling krijgt voor de ongelooflijke vertelkunst van de bijbelschrijvers. Wat zij met de hoorder kunnen doen is zó indrukwekkend. En dat gaan we meemaken! Want nu komt er nog één vers en dat is Marcus 16: 8. Het laatste vers van Marcus. “En zij, haastig naar buiten gerend, vluchtten weg van het graf, vol ontzetting en bevend, en zij zeiden niemand iets, want ze waren bang.”

Zo eindigt het evangelie van Marcus. Met het woordje ‘bang’…

Wel een heel raar einde, lijkt het op het eerste gezicht. En later zijn er overschrijvers geweest die hebben gedacht: “Wat een absurd slot! Dat is niet “eind goed al goed” Hier moet dus wat verloren gegaan zijn, een laatste bladzij verdwenen. Laten we een nieuw slot maken…” En dat zijn dan de verzen 9 tot 20. Met daarin de beruchte uitspraak van Jezus: “Jullie moeten over de hele wereld gaan preken dat wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn zalig zal worden maar wie niet geloofd zal hebben verdoemd zal worden.” Dat is vers 16. Maar dat is naar mijn idee helemaal niet waar Marcus met zijn hoorders naar toe wil. Het is ook geen tekst van Marcus zelf maar is bij wijze van vriendendienst door latere overschrijvers aan zijn evangelie toegevoegd. Zodat het evangelie daardoor niet langer eindigt met ‘angst’ maar met een opmerking dat de Here met die prediking meewerkt door middel van tekenen en wonderen.

Marcus doet echter iets heel anders met de lezer. Met ons. En laat de Heer niet met ons mee werken maar… Precies andersom!

De jongen in het graf gekleed in het witte kleed -bij Mattheus is er een engel en niet in het graf maar erbuiten en bij Lukas zijn het twee mannen, die verschillen zijn wel belangrijk voor wat de evangelisten willen dat je doetals lezer van hun respectievelijke evangelie- die jongen in het wit lijkt op een jongere uitgave van Jezus, en zegt: “Hij is opgestaan. En is naar Galilea. Daar zul je hem zien. Niet hier in het rijke Judea, maar in het arme Galilea…”

En de bedoeling is dan, dat je denkt: “…Galilea, waar is dat ook weer?”

En dat je dan terugbladert en dan helemaal in hoofstuk 1 terecht komt en daar ziet dat Marcus bijvoorbeeld geen kerstverhaal heeft maar onmiddellijk al in vers 9 Jezus laat komen. Jezus van Nazareth in Galilea. En dan in vers 14 van Hoofdstuk 1: na de doop van Johannes, komt Jezus in Galilea -staat het er alweer- en predikt -zo schrijft Marcus- allereerst en vooral het koninkrijk van God.

En de bedoeling is dus dat je in, nee, vanuit het graf op Pasen achter een opgestane Jezus aangaat naar Galilea. En dat je dáár, in Galilea opnieuw alles meemaakt en doorvoelt. Al die zieken, al die armen die bij Jezus worden gebracht, al die weduwen en wezen, die kinderen, die bezetenen, blinden, lammen… En dat je dan opnieuw uitkomt inn het midden van het verhaal bij de offerkist, tegenover de offerkist en dat je dan steeds beter leert zien dat de weduwe er wordt uitgeperst tot op het bot.

Dat dat een wezenskenmerk van de godsdienst is.

En dat opstanding vooral ‘opstand’ dáártegen is. Dat het voorhangsel scheurt en dat Jezus komt met ‘iets nieuws’. Opstanding.

Hij als eerste en wij daar achteraan. Zodat Jezus in ons opstaat, in ons doen en laten. Ons in-de-wereld-staan. Moedig als Hij. Vol vertrouwen als Hij. En volhardend, zoals Hij.

En als het je niet lukt, of je vindt het moeilijk, dan kom je aan het einde van het evangelie wéér terecht bij die jongen in die witte kleren die zegt: “Als je Jezus zoekt moet je echt niet hier zijn maar in Galilea. Daar zúl je hem zien!

“De Heer is waarlijk opgestaan.” En hij komt binnen vijf minuten, wat? -met de snelheid van het licht komt hij naar beneden bij jou aan tafel. Als dat een gastvrije tafel is waar plaats is voor de gast, de vreemdeling.

“Ubi caritas et amor Deus ibi est.” Daar waar barmhartigheid is en liefde daar is de opgestane Heer.

De Heer is waarlijk opgestaan. Dat is werkelijkheid. En hij raakt mensen aan, in Galilea. Lees maar… Jij komt vanuit het graf, bang en vol ontzetting, terecht in Galilea en dáár ontmoet je de opgestane Heer! En de bedoeling is dan dat je het evangelie dat je leest verbindt met de wereld waarin je leeft, waar armen zijn en weduwen.

Maar… Als je dat nou niet doet? En je gaat niet naar Galilea maar je volgt al lezend het aangebreide slot van Marcus. En denkt dat Jezus wil dat er over de hele wereld gepreekt gaat worden dat gelovigen worden gered en dat wie niet geloven verdoemd zullen worden… Is er dan wel opstanding?

Is dat niet precies wat de tempel predikte?

Moet je dus niet naar het begin van Marcus? In een soort Rollercoaster glij-vlucht, vroom! Om daar de genezingen mee te maken van blinden en verlamden, de uitdrijvingen van de boze geesten, het opwekken van het dochtertje van Jaïrus…

Is opstanding niet dat zieken worden genezen, kinderen in het midden worden gezet, de weduwe wordt gered van een wisse dood?

Veel meer dan aan te kondigen dat er een verdoemenis zit aan te komen? De opstanding is werkelijkheid, dat is de paaspreek en daar moet je geen sikkepitje van af willen doen. Maar wil dat zeggen dat er altijd opstanding is?

Het graf is leeg. Maar wil dat zeggen dat je, dat constaterende, niet meer hoeft te bewegen?

Je kunt -om een voorbeeld te gebruiken- zeggen dat liefde werkelijk is… Maar als nu niemand van een ander houdt, ís het er dan wel: Liefde?

Ik bedoel: is er niet méér nodig dan dat je de opstanding gelooft en beaamt in je prediking? Moeten we niet gewoon doen wat de “jonge Jezus” zegt in witte kleren…

“Ga hiervandaan en ga naar Galilea. Daar zul je de opgestane zien in zijn opstandingsgedaante en zul je aan zijn hand leren dat opstanding iets is dat waar wil zijn…” Dolgraag wáár wil zijn! Ook voor u en voor jou en mij!

Gezegend Pasen!

De Heer is waarlijk opgestaan en kan niet wachten om bij jou aan tafel te komen!

 

Amen

Leave a Reply