9 mei 2015

Jezus de opperduivel?

Ik heb hier een riks. Twee-en-een-halve gulden. Uit 1980. Wat is de waarde van dit stukje nikkel?

Op de voorkant staat een leeuw, met een zwaard in zijn ene poot en een bos pijlen in zijn andere. Een boog om de pijlen mee weg te schieten heeft hij niet. En aan de andere kant staan twee vrouwen. Op de rand van deze munt staat: God * zij * met * ons. Maar mijn vraag zou zijn? Wie is “ons”? De wilde dieren? De twee vrouwen? Marrokkanen in ons land? De bankiers, die dit dure speelgoed in omloop hebben gebracht? Werklozen? “Mensen zonder vaste baan” moet ik zeggen. Met wie?

En is dat wel de goede vraag: Met Wie God is? Is het niet veel meer de vraag met wie wij zijn?

Goed, dat was toen. Nu staat dat niet meer op ons geld. We kunnen heel goed zonder God. Sterker nog, alles lijkt gezelliger zonder die bemoeial. Dat is zo’n beetje de moedige assertieve stem die ik hoor klinken in veel moderne literatuur en cabaret. En weet je, dan zetten we gewoon de hele mikmak overboord, dus ook de duivel. Buitenissigheden, waar we niet meer aan doen. We vergeten ze gewoon, dan vertrekken ze wel.

Wat zou nou het gevolg zijn van het feit dat mensen niet alleen niet meer in God geloven, maar dat ze óók niet meer in de duivel geloven? Ik zelf denk dat het behoorlijk gevaarlijk is dat er steeds wordt gezegd dat we moderne mensen moeten zijn en dat we van alles en nog wat niet meer moeten geloven. Dat het primitief zou zijn om in goede en kwade machten te geloven. Het is dan wel misschien modern om dat niet te doen. Maar het is ook riskant. Want: geloven we werkelijk niet meer in goden en machten of durven we er niet meer voor uit te komen? Durven we het er niet meer over te hebben? Omdat je dan voor gek wordt versleten? Want verre volkeren verslijten we dan graag voor primitief, en elkaar verslijten we in zo’n geval gewoon voor gek…

Maar lieve mensen: zijn er dan geen kwade machten meer wanneer we het er alleen maar niet over hebben? Als we ze vergeten, zijn ze dan vertrokken?

Neem nu het verhaal dat we vanmorgen met elkaar lezen. Dat gáát over duivels, en over demonen en boze geesten.

“Ja, dáhág”, zeggen we al snel, “daar gelooft geen mens meer in!” Maar is dat werklijk zo? Dat wij niet meer in duivelen geloven? Zou het niet zo kunnen zijn, dat wij met onze knappe en verlichte moderne koppen, die ons niets meer wijs denken te laten maken, we hebben overal verstand van, -is het niet zo, gemeente, dat wij alleen maar de ene vorm van duivel-geloof vervangen hebben door een andere?

Want duivelgeloof is iets anders dan dat je denkt dat er vreemde wezens met bokkenpoten rondstappen op aarde. Ik bedoel nu niet die bokkenpoten van de bakker, maar die van de kinderboerderij, zeg maar. Wezens met bokkenpoten en hoorntjes op hun kop. Bij volle maan of zo. Want dat zou nog wel grappig kunnen zijn zelfs…

Nee, duivelgeloof is ten diepste dat je aanvaardt dat kwade machten iets te vertéllen hebben in deze wereld. Dat ze het voor het zeggen hebben. Dat je zegt dat het onvermijdelijk is dat die kwade machten invloed hebben op de gang van zaken hier op aarde. Dát is duivelgeloof: Geloof in kwade machten, die óndoorzichtig en óndoorgrondelijk zouden wezen, en die alleen maar op een geheimzinnige manier een klein beetje in toom te houden zouden zijn. Boze geesten en duivelen, dat zijn aanduidingen voor die aspecten van de werkelijkheid, die ons meeslepen in het verderf.

We raken door het woordgebruik van de bijbel misschien een beetje in de war, maar dat kunnen we wel uit de war halen. Daar ben ik dan voor. Dat is mijn taak hier en daar ben ik erg aan gehecht want ik vind die van wezenlijk belang.

Het verwarrende is inderdaad dit: In het Oude Testament komen we feitelijk geen duivels tegen. Daar wordt die rol, -de rol die de duivelen hebben in het geheel- gespeeld door wat men dáár dan nog noemt: de goden. Het Oude Testament heeft het, dat is u vast wel eens opgevallen, over goden, allerlei goden. En onder die goden is er eentje heel bijzonder, ánders dan alle andere, dat is de God van Abraham, Izaak en Jakob; de exodus-God, de Bevrijder-God. De god die mét de slaven is. De geboeiden. Met hen die klem zitten en klem gezet zijn. En de rest, al die andere goden? Ach, die mogen volgens de bijbel eigenlijk de naam “god” niet eens hebben. Dat zijn afgoden. Dat zijn anti-machten, die eigenlijk alleen maar precies het omgekeerde willen van wat de bevrijder-god wil, die zijn daar op tegen. Die willen namelijk juist de verslaving. Het sloven en afjakkeren, het uitbuiten en uitwonen en opgebruiken. Die zijn niet uit op recht en gerechtigheid, maar ongebreidelde groei, dat is hun program.

Zij beloven de hemel. “Als je dit koopt en dat aanschaft dan word je vrij, en high. High in the sky. Dan wil je naar the moon and the stars. Dan ervaar je eindeloze ruimte en ultiem geluk.” Maar op de keper beschouwd -en dat moet u even vasthouden- zijn het machten die alleen maar “Nee” zeggen tegen het “Ja” dat de God van Abraham, Izaak en Jakob voortdurend roept.

Als eerste klonk het “Ja” van God. “Ja het is goed dat er licht is. En: ja het droge met er zijn, en: ja je mag van alle bomen eten, behalve van ééntje en: ja je zult leven.” Maar de slang is de eerste die heel verwarrend het “nee” in het spel brengt: “God heeft zeker gezegd: “nee, je mag niet van alle bomen eten, Je zult sterven” In elk geval: daar waar in het oude testament zij nog met het woord “goden” worden aangeduid, worden in het nieuwe testament die negatieve machten, die nee-zeggers tegen God, duivelen genoemd. Duivelen en demonen. En honger, uitbuiting en geweld, alle onrecht heet bij Jezus dus: geduvel. Dat is geen lot dat jou overkomt, maar dat is niks anders dan geduvel. Vandaar ook dat je de duivelen voortdurend rondom Jezus ziet. Ze trekken op hem aan als op een magneet. Want Hij is het JA, waartegenover zij het NEEN belichamen. Ze bestaan alleen maar -en dat is belangrijk om in te zien- als ontkenning van de Messias. Ze zijn als parasieten. Ze leven bij de gratie van een ander. Ze zijn er uitsluitend op een negatieve manier. In zichzelf hebben ze geen waarde. Niets.

Dat geldt ook voor Beëlzebul. Beëlzebul, daar herkent u al snel de naam Baäl in. Baäl-zeboel is het eigenlijk. Een soort opper-Baäl. En Baäl wordt in het Oude Testament inderdaad een god genoemd, met priesters en een altaar. Maar Beëlzebul is bij Jezus dus: “De overste der duivelen”. Hij is namelijk degene in wie al dit geduvel op aarde wordt samengevat en samengebald.

Nu zijn er daar onder die aanwezigen, mensen die opmerken: “Hé, die Jezus, dat is er ook zo eentje, want die drijft als Beëlzebul boze geesten uit. Hij heeft immers macht over de demonen, ze luisteren blijkbaar naar hem.” U begrijpt nu wel, na het voorgaande: We moeten niet te snel zijn met onze opmerkingen dat die mensen die dat zeggen het helemaal verkeerd hebben gezien. Ze hebben het namelijk wel verkeerd gezien, maar in wat ze zeggen nemen ze feitelijk Jezus toch serieus. Want in zekere zin is Jezus ook zo’n nee-zegger, iemand die de orde verstoort. Die de boel in de war schopt, die de zaak op zijn kop zet. Die in de tempel, dat religieuze bankinstituut de tafeltjes van de couponsnijders ondersteboven mept, en die beweert dat hij ervoor zal zorgen dat van dat religieuze geldinstituut, die tempel, geen steen op de ander zal blijven staan. Jezus is vanuit een bepaald perspectief een storend element.

Alleen, en dat is nu het punt, en daar draait het in dit bijbelgedeelte om, daar draait het trouwens in heel het verhaal van Jezus om, -de vraag is: wát is orde? En: wie is degene die wanorde schept? Wie zorgt voor orde en wie zorgt voor chaos? Dat is de vraag.

Een voorbeeld om dat duidelijk te maken: Wat is chaotischer: het bruisende water van een wilde beek, of de granieten bedding die die stroom water streng een bepaalde kant op forceert?

Zo kun je ook op twee manieren tegen Jezus aan kijken. Jezus verstoort inderdaad de orde, maar: wélke orde? Verstoort Jezus de orde van de God van Israël? Of zegt Jezus nou juist “nee” tegen de zogenáámde orde, die eigenlijk helemaal geen orde is, de zogenaamde orde van de demonen? Het geweld van de duivelen? Zegt hij dáár “nee” tegen?

Want het is inderdaad moeilijk om God en duivel uit elkaar te houden, ze zijn lijnrecht elkaars tegenpolen, maar daarom lijken ze zoveel op elkaar. En sommigen houden de wanorde van de duivel voor orde en vinden dan het geweld dat de duivel gebruikt eigenlijk wel efficiënt, goed uitgekiend, onontkoombaar, voor-de-hand-liggend. En als je dat eenmaal doet dan is niet meer helder over wie het eigenlijk gaat: ZIJN koninkrijk is gekomen, ZIJN wil geschiedt, op aarde, net als in de hemel. HIJ geeft ons iedere dag ons brood, en HIJ vergeeft dan onze schulden. En HIJ is het die ons niet in de verzoeking leidt, de verzoeking om naar de Messias Jezus te horen en de verzoeking om de weg van de Heer te gaan. En HIJ verlost ons van de boze God van Israël, de rustverstoorder, met zijn gewelddadige uittochten en intochten en zo.

En dán: is daar een mens. Die door een boze geest is bezeten. Dat wil niet zeggen dat dat een wildeman was met schuim op de mond of zo. Dat zou kunnen maar dat hoeft helemaal niet. Het kan evengoed een nette en fatsoenlijke man zijn geweest, met een goede baan, stropdas voor, laptop erop en lease-auto eronder. Fatsoenlijk. Maar Dostojewski moet al gezegd hebben: “Welk een verscheurend dier is een fatsoenlijk mens”. Die mens in het verhaal is stom. Dat wordt in ieder geval van hem gezegd. Alle mensen die van de duivel bezeten zijn, zijn stom -niet dat ze niet zouden kunnen praten, misschien kunnen ze dat ook wel niet- ze kunnen in elk geval niks zéggen. Er komt niks zinnigs uit. Dat heb je, niet waar? Je hebt mensen die praten wel maar die zeggen niks. Ik zelf loop voortdurend dat risico als ik Jezus “vergeet”, zeg maar.

Ze bidden niet, dat is erg, maar ze vloeken ook nooit, dat is misschien nog veel erger.

Je zult hen niet horen protesteren tegen onrecht. Daar bemoeien ze zich niet mee. Dat gaat hen niet aan, vinden ze.

Of ze noemen alles: geluk en pech.“Honger? Armoede? Dat is geen onrecht. En daar kan ik toch niks aan doen? Honger is een kwestie van pech. Mijn schuld is het niet. En wij hier in Nederland, wij hebben dan wat meer geluk gehad, ja. En we kunnen toch moeilijk al die mensen die pech hebben gehad in de wereld hier zo maar toelaten. Dan houwen we zelf niks over…”

Het zou dus kunnen zijn dat we feitelijk niet van het duivelgeloof af zijn, als moderne mensen. Dat we namelijk de wereld en wat daarop gebeurt misschien niet al te fraai vinden maar wel aanvaarden als: onontkoombaar en onvermijdelijk en ondoorgrondelijk. We hebben de duivel maar half uitgebannenen dát is linke soep. We ontkennen in de duivel te geloven en denken dat die dan wel zal vertrekken. Maar wat je alleen maar rationeel ontkent zal vroeg of laat op een irrationele wijze terugkeren. Zeven keer zo sterk. En ik denk dat de duivel er het meest belang bij heeft wanneer we zijn karwei niet meer durven aan te wijzen. Als we onrecht geen onrecht meer durven noemen maar pech. Of natuur. Of marktwerking.

Godsdienstige begrippen als: ‘zegen en vloek’ worden dan platte woorden als: ‘geluk en pech’. Het wordt een soort loterij. De loterij is in de plaats van de godsdienst gekomen, Dat is mijn idee.

En dat is ook wel zo, denk ik: Onze moderne westerse wereld is zo langzamerhand één grote Jackpot-orgie geworden. En dagelijks kijken we verlekkerd én gelovig bij wie de miljoenen nu weer naar binnen rollen. In het geloof dat ook wij een keer aan de beurt zijnvoor die genadige zegen van de jackpot. Er is een opleving van de religie, zeggen velen. Dat klopt. Het is de religieuze dans om de miljoenen, avond aan avond op onze flatscreensin een als moderne kerk of tempel vormgegeven decoren geleid door de priesters en diaconessen van Joop aan den Ende en die andere sloper, de Mol. Elke avond opnieuw. Vóór het slapen gaan…. en morgen gezond weer op! Dan heeft u weer nieuwe kansen in ons spelletje.

Onze wereld is gek, en iedereen vindt het normaal. Onze wereld is gek, en iedereen vindt het normaal…

Ga je dood van honger en ellende? Dat heeft met onrecht niets te maken of met geweld dat is eenvoudig: Bad luck. Wat moeten we er verder van zeggen? Niks! Het is niet dieper. Jezus drijft vervolgens de duivel uit en zie: deze mens gaat wel degelijk er iets van zeggen! Spreken! En we zouden willen weten wát die mens dan gaat spreken. Maar op die vraag zullen we zo meteen antwoord krijgen.

Dat krijgen we pas in de gaten wanneer we door hebben gekregen hóe Jezus die duivel heeft uitgedreven. Want eerst komen er zeven duivels terug, nietwaar? Je drijft er eentje uit en er komen er zeven voor terug. Hoor maar, wat er wordt geroepen: “Hij is zelf één van Beëlzebul; door Beëlzebul drijft Hij de boze geesten uit.

Moet u goed beseffen wat hier gebeurt: Jezus wordt voor duivel uitgemaakt. En reageert als volgt:“Ik drijf niet door Beëlzebul de boze geesten uit, maar door de vinger Gods”, zegt Hij. “En indien ik door de vinger Gods de boze geesten uitwerp dan is het koninkrijk over jullie gekomen”.

Door de vinger Gods. Daar zit het geheim van dit verhaal vanmorgen. Die goddelijke vinger. Wat doe je met je vinger? Volgens de joden kun je je vinger maar voor één ding gebruiken. je mag er niet mee wijzen… je mag hem niet opheffen als een Hollands vingertje… je kunt er alleen maar mee langs de regels! Lezen doe je namelijk met je vinger.

Jezus drijft de boze geesten uit door zijn vinger, doordat hij de schriften leest en uitlegt en vóór leeft, alleen daardoor. Waar de boodschap van bevrijding uit slavernij wordt voorgelezen en gehoord en gevierd en afgebeden, en waar de slavernij wordt tegengesproken in doop en avondmaal, daar worden demonen uitgedreven.

Zelfs al zouden ze zich voordoen als sterke mannen, sterke, goed bewapende mannen. Tegen deze boodschap van hoop, hoop op bevrijding uit de slavernij, en verwachting van het leven in een land van recht en vrede kan zelfs een sterke man niet op. Ik weet niet of u zich nog kunt herinneren hoe Ceaucescu daar zichtbaar van schrok, op dat balkon. “Hier kan ik niet tegenop…” Je kon het van zijn gezicht aflezen.

En zo kunnen we ook verstaan wat deze mens nu gaat spreken. Hij spreekt wat hij heeft gehoord, hij spreekt woorden van bevrijding, van recht, én van protest tegen al dat geduvel en gedonder. Zegen en vloek komen uit zijn mond. Hij zegent zijn Heer en hij vloekt de duivelse machten.

Laten we er nog iets beter naar kijken. Het verdrijven van demonen is een teken van macht. Maar die macht is nog niets, die wordt zelf weer demonisch als dat niet gepaard gaat met liefde voor de slachtoffers, met solidariteit jegens de zwakken. Daarom is het dat Jezus ook nog zegt: “Wie met mij niet is die is tegen mij, en wie met mij niet bijeenbrengt die verstrooit,” want Jezus zelf is mét de geringsten, mét de slachtoffers, zelfs als die zich tegen hem gaan keren.

Overigens wordt Jezus bijna altijd verkeerd geciteerd. En vreemd genoeg door mensen die vaak beweren heel trouwe volgelingen van Jezus te zijn. Dan wordt er gezegd: “Wie niet voor mij is is tegen mij.” Maar dat heeft Jezus helemaal nooit gezegd: “Wie niet voor mij is is tegen mij.” De uitspraak van Jezus is veel scherper. Daar gaat het niet over de overtuiging die je hebt of de partij waar je op stemt. Daar gaat het concreet over: wáár ben je? Op welke plek in de samenleving ben je te vinden, werkelijk, concreet? Niet bij wijze van overtuiging, maar: wáár sta je in werkelijkheid? “Wie niet mét mij is die is tegen mij en wie niet mét mij verzamelt, die drijft uiteen.”

En als je ervoor kiest mét Jezus te zijn, dan verkeer je daarmee in de kringen van mensen waar Jezus mee verkeert. Begrijpt u hoe radicaal de boodschap van Jezus is? Dat zijn geen goede voornemens. Dat is concreet positie kiezen. Kiest dan de goede plaatsen…

En na deze -vaak fout geciteerde- opmerking van Jezus vertelt Hij een tweede gelijkenis. Dat had ik eerst ook niet door. Maar wat er nu volgt is een ander verhaal. Het verhaal wat Jezus nu vertelt, gaat over hoe het zal eindigen met Hem. Hoe zal het aflopen met Jezus op grond van zijn macht over de machten van onrecht en geweld? Want de duivel uitdrijven is één ding, maar hij moet worden vernietigd.

Let op het punt nu: Als ze met zijn zevenen terugkomen en het op het leven van Jezus gemunt blijken te hebben, zelfs dán blijft Jezus solidair met de slachtoffers. Het einde van die mens is erger dan zijn begin, voorziet Jezus. Het einde wordt namelijk de marteldood aan een kruis, en dat is erger dan die kribbe in die kouwe natte stal. En Jezus zegt dan nog steeds geen “nee”. Hij geeft de solidariteit niet op. En pas als Hij in die vernietiging niet óók “nee”: gaat zeggen tegen de slachtoffers, zelfs niet als die zich tegen Hem keren, zal hij bestaan! Staat hij op. Opstanding.

“Wie níet met mij is…” Ach lieve mensen, laten we ons maar niet al te veel verbeelden: Jezus bidt voor die mensen, ook voor ons: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat ze doen”.

Er is een vrouw die dit herkent; een vrouw uit de gojim, de volkerenwereld; zij herként deze weg van de Messias. “Zalig de schoot die u heeft gedragen en de borsten die gij hebt gezoogd”. Eigenlijk is dat het begin van de liturgie van de kerk, deze zaligspreking van deze vrouw. Zou het toevallig een vrouw zijn? Jezus wijst háár dan ook niet af, integendeel. Hij gaat met haar en zij met hem… “Zeker”, zegt hij, “je hebt gelijk. Maar er valt nog wel meer te zeggen, er moet meer gezegd worden. Zalig die het woord Gods horen en het bewaren” Jezus wijst op héél zijn weg, niet alleen op zijn begin, met de schoot van Maria en haar borsten, maar ook op het eind, met dat kruis op Golgotha.

Daarom moet elke kerstpreek ook een paaspreek zijn, denk ik, anders blijft het toch wat teveel een lief feestje rond een kindje in een kribbetje daar in dat stalletje met die herdertjes… En elke paaspreek moet een kerstpreek zijn, anders wordt het teveel een bloembollengevoel, waarbij elk jaar opnieuw alles vanzelf weer tot leven komt. En vanzelf weer begint te groeien en te bloeien en te geuren en te kleuren, elk jaar weer opnieuw, vanzelf, als een soort van natuurwet.

Dat is niet bijbels.

Kerst is: God is gekomen in ons mensenbestaan. Niet vanzelfsprekend en bij wijze van natuurwetmaar vanwege een beslissing, éénmalig, door God zelf genomen, om de mensen in deze wereld niet alleen te laten maar bij hen te zijn en met hen. “Zie ik ben mét u, alle dagen, tot de voltooiing van deze wereld”. Met u. Mensen van mijn welbehagen.

Maar de mensen van Gods welbehagen gedragen zich tegenover deze God als mensen van het onbehagen. En het einde van Jezus is erger dan zijn begin. En Pasen is dan dus dát wat God voor ons mensenkinderen heeft gedaan en doorstaan: Want op Golgotha is voorgoed gebleken dat Jezus áfrekent met alle geduvel en gesodemieter op deze aarde. Zélfs als mensenkinderen met zeven boze duivels terugkomen. God geeft niet op maar zet door, tot het licht wordt. Dat is Pasen. Maar níet vanzelf. Helemaal niet vanzelf. Daar heeft bloed voor gevloeid. Niks vanzelf.

Helemaal niet dus zoals een bloembol de dood overwint. Want een tulp of narcis overwint de dood helemaal niet. Dat lijkt maar zo. Omdat we jaarlijks zo’n Keukenhofpasen aangepraat krijgen in de folders van Blokker. Maar Blokker heeft helemaal geen verstand van Pasen! Als u straks naar buiten loopt -nog voor de zomer is begonnen- is er van die narcis al niets meer te zien hoor! En van al die krokusjes hier langs de Eems is ook al niks meer over…

Niet vanzelf dus! Maar als unieke dáád van God. De macht van de duivel en de dood wordt overwonnen. Alle onrecht en geweld. En Hij neemt het op voor kleine en zwakke mensen; zondaren die het loodje zouden hebben gelegd, als niet Jezus het voor hen zou hebben opgenomen. En zo wordt in de vernietiging van Jezus de duivel tot wat hij altijd al is geweest: een niets…!

Daarom. Tot slot: Zoals Maria, van wie de buik dit kind heeft gedragen en van wie de borsten dit kind hebben gezoogd -zoals Maria gehuild heeft om het lot van haar kind, vermoord door de joodse én de niet-joodse overheid; daarin gesteund door het volk dat riep: God, Rome en de Keizer! En Jezus bad. Niet voor de keizermaar voor de soldaten van de keizer die hen gerekruteerd had en die door hem naar Palestina waren gestuurd om de orde te herstellen… En Jezus bad voor deze jongens die daar in Jeruzalem vaak omkwamen. Zoals Maria huilde om het lot van haar kind zo huilden “dwaze” moeders op de markt in Rome in wanhoop en riepen naar het paleis van de keizer: “Wáár zijn onze kinderen? Waarom moeten ze omkomen in die vuile rotoorlog daar in Palestina? Onze zonen, waar zijn ze gebleven?”

Jezus bad voor ze: “Vader, vergeef het hun want ze weten niet wat ze doen…”

En daarom zingen zijn leerlingen, om zingend op de juiste plaats te komen, niet bij wijze van overtuiging maar werkelijk:
‘t Leven heeft de dood verslonden;
wat geboeid is, wordt ontbonden.
Dood, waar is uw overmacht,
waar uw prikkel, waar uw kracht?
‘s Heren vrijgekochten hopen,
want de hemel gaat hun open.
Halleluja! Halleluja!

Met wie zijn wij?
Dat is de eerste vraag…
En de eerste klap is in dit geval oneindig veel meer dan een daalder waard.

amen.

Leave a Reply