17 juli 2016

Hoe komen we van die eeuwige hel af?

preek naar aanleiding van Mattheus 5: 43 – 47

 

Toen ik een jongetje was ging het voor mijn idee in de kerk vaak over: hemel en hel. Uiteindelijk ging het altijd over die vraag: waar kom je terecht: in de hemel of in de hel? Herkent u dat? Tegenwoordig niet meer zo… Maar van de week dacht ik daaraan, zo voor de laatste dienst vlak voor de schoolvakantie. En de hemel, dat was dan iets van een beloning achteraf en de hel, dat was een soort eeuwige straf. Waar je gemarteld werd tot in het oneindige. De hemel moest je verdienen. Daar moest je een goede gelovige voor zijn. Hoewel je nooit wist hoe goed je dan zijn moest. En de hel… Daar kwam je al snel in terecht. Zomaar eigenlijk.
Het ging over goed en slecht. Dat je goed moest zijn en dat je afstand moest nemen van degenen die je slecht vond. Of waarvan de dominee zei dat ze slecht waren. Maar, en daar kom ik al een beetje bij het punt dat ik vandaag wil maken: hoe wás dat: die hemel? Ik kreeg de indruk dat dat nog het meest weg had van een eeuwigdurende kerkdienst. De hele eeuwigheid lang psalmen en gezangen zingen voor een God op een troon. Het leek me afschuwelijk. Als kind. Had ik dat alleen, of had u dat idee ook weleens?
Nu krijgen we vandaag de dag steeds meer te maken met andere religies dan onze westerse christelijke en daar zien we dat een geloof in de hemel, en in een eeuwige beloning, en dan niet psalmen en gezangen zingen maar iets anders aantrekkelijks, -zien we dat zo’n eeuwige beloning mensen aanzet tot de meest vreselijke daden van geweld. Zichzelf opblazen. Zich de dood inrijden en zoveel mogelijk onschuldigen meeslepen. Geloof in een hemelse beloning als motor van terrorisme.
Terroristen zijn erop uit om het midden van een samenleving op te blazen. Het midden, dat wordt gevormd door mensen die in nuances willen en kunnen denken. Mensen die niet zo zwart-wit denken, maar geschakeerd. Niet narrow-minded zijn, maar open-minded. Terroristen willen dat midden verwoesten, leeg maken, zodat er alleen extremen overblijven. Dat is van belang om te beseffen voor ons politieke antwoord op bijvoorbeeld jihadistisch geweld.
Het geloof in hemel en hel lijkt mij in elk geval niet erg onschuldig. Maar: is het nodig? Hebben we een hemel en een hel nodig om te kunnen leven? Als mensen? Die vraag gaan we dus onder ogen zien. Maar dan moeten we starten bij wat het leven is zoals het zich aan ons opdringt.
Ga ik even van start op een plek die u misschien niet verwacht. We leven in wat ik zou willen noemen: de tirannie van: Happiness. Onze samenleving wordt opgejaagd door een wijdverbreide zogenoemde “vrijheid” om het ultieme geluk na te streven. Maar er is juist behoefte aan de bevrijding van die zogenoemde vrijheid van jacht op geluk; de bevrijding van het moeten zoeken naar antwoorden, naar zekerheid en naar bevrediging. Er is juist behoefte aan het omarmen van het niet-weten en van het niet-hebben… Durven en kunnen omgaan met het onvolmaakte, het dubbelzinnige en tegenstrijdige. Waarom zijn we zo ongelooflijk geobsedeerd door de wens alle antwoorden te hebben en alle bevrediging van onze ziel die maar denkbaar is?
En dat is niet alleen in de godsdienst zo maar evengoed ook in de seculiere wereld aan de orde van de dag. Sterker nog: als érgens een eeuwig leven wordt gepropageerd dan is het wel uitgerekend in de seculiere wereld. Daar is dat al gaande. Beseft u dat wel? Google is in staat om alles wat met uw identiteit te maken heeft zo op te slaan dat het eeuwig blijft bestaan. Gaat nooit meer verloren. Wie u bent. Wat u denkt. Waar u voor kiest. Uw liefde, uw passie. Uw medische dossier. Uw financiële positie, alles!
Het verlangen naar een eeuwig leven is een bedenkelijk verlangen geworden en het is de vraag of het eigenlijk wel zo bijbels is. De bijbel is bedoeld om mensen gezonder te maken, mentaal, geestelijk. Jezus is gekomen om mensen te helen, te genezen. God staat voor heelheid. Voor “Uw Koninkrijk Kome”. Maar het woord “God” heeft inmiddels een heel aparte betekenis gekregen. Het woord God is gaan betekenen: alle antwoorden hebben; zich in de juiste groep bevinden; perfect zijn; -het woord God is gaan betekenen: onkwetsbaar zijn; zonder twijfel; zonder lekje of gebrekje. Wij zijn goed en zij zijn slecht. En zo hebben we er een idool van gemaakt. Een idool is iets, een macht of een kracht die jou wegleidt uit je problemen en die alles voor je oplost. Jou het ultieme geluk brengt.
En idolen, in de Bijbel heten ze afgoden, brengen uiteindelijk alleen maar het tegenovergestelde van wat ze beloven. Want elke keer als ze je een hemel beloven kun je op een hel rekenen. Elke keer als ze beloven: “alles wat je nodig hebt”, kun je ervan uitgaan dat je onderuit gaat.
Zo’n invulling geven aan het woord God is een vorm van religie die niet meer te onderscheiden is van wat er in de wereld te koop is. God als een idool. En het wordt helemaal pijnlijk als van de kerk verwacht wordt dat die dat verlangen dient. Ik wil geluk ervaren en de kerk moet dat leveren…
Maar een kerk is geen happiness-filiaal en Jezus bedoelt niet hetzelfde als wat de wereld ook zoal te koop aanbiedt, maar heeft iets anders op het oog. Iets fundamenteel anders. Ik zou dat willen omschrijven als: op je gemak leren te zijn met complexiteit en met dubbelzinnigheid. Met niet-weten. Kunnen omgaan met verdriet, net zoals met geluk. Overeind blijven in het dal, en niet alleen kunnen of willen functioneren op de toppen.
Een mens te zijn op aarde is niet: wegvluchten van de moeilijkheden en problemen maar een weg leren vinden om die aan te kunnen en er mee om te gaan. Om er de angel uit te leren halen. Hoe meer we wegvluchten voor die pijnlijke en schrijnende dingen in ons zelf hoe meer ze ons zullen gaan achtervolgen, en najagen. We hebben allemaal spoken in ons. We zijn een huis waarin het spookt. Niet alleen wij zelf, als individu, maar ook wij als gemeente. Niet alleen hier maar dat is altijd het geval. Elders ook. In uw gezin. Op uw werk. De kunst is het om de spoken boven tafel te krijgen en als we dat doen dan kunnen onze “heilige geesten” worden. En als we dat niet doen dan worden het onze plaaggeesten die ons achterna blijven jagen.
In veel kerken wordt twijfel bijvoorbeeld gezien als iets negatiefs. En is een antwoord als: “Ik weet het niet” een slecht en afkeurenswaardig antwoord. Ga eens een middag in de evangelische boekwinkel zitten en dan valt het op hoeveel boeken er zijn over de zekerheid van het geloof. En die worden ook verkocht. En naar ik aanneem ook gelezen. Je zou op eerste gezicht denken dat de mensen die al die boeken over geloofszekerheid lézen zelf een vast en zeker geloof hébben… Maar, welbeschouwd: als je zo zeker bent van je geloof, waarom zou je al die teksten dan willen lezen? Daarom denk ik eigenlijk dat het veel meer een signaal is van het feit dat mensen veel twijfels en vragen in zich omdragen maar niet weten hoe ze daarmee voor de dag moeten komen.
Ik pleit er dus niet voor dat u nodig zou moeten gaan twijfelen of vragen moet gaan stellen. Ik denk dat velen van u dat al lang doen. Net als ik. Het is dus de kunst om die samen onder ogen leren zien. En niet blijven proberen de duistere kanten, de onzekerheden, de angsten, het ongemak, dat wat schrijnt en knaagt te blijven ontkennen. Er zijn misschien niet eens zoveel kerken die dat aandurven. Dus als De Arke dat zou kunnen zijn of worden dan kan De Arke voor veel mensen zijn wat de naam doet vermoeden.
Weet u, het zou met het christelijk geloof iets moeten zijn wat met bijvoorbeeld Boeddha ook zo is. Ik ben geen Boeddhist, en weet er veel te weinig van, maar daar geldt een gezegde, dat luidt: “If You Meet The Buddha On The Road, Kill Him” Weleens van gehoord? Een prachtige gedachte!
Dat is symbolisch bedoeld allemaal hoor! De weg is niet de Eems, of de Zuiderhogeweg, maar dat is de weg naar de verlichting. En “kill him” is niet letterlijk bedoeld, met geweld, maar geestelijk. Als je denkt dat je een onberispelijk beeld hebt gevonden van wat het betekent om verlicht en bevrijd te zijn, zet dat beeld dan opzij, “kill it”, en ga vérder. Ga dóór met mediteren. Dat zou in het christelijk geloof ook helpen. Zo’n gedachte. En die wordt hier en daar ook wel genoemd. Op een dag komt Christus op aarde. Stapt er een man op hem af en zegt: “Wat ben ik blij dat U gekomen bent. Mag ik één prangende vraag stellen?” “Ja zeker” zegt Christus. Waarop de man zegt: “Vertel me: wannéér zult u komen?”
Meester Eckhart zegt: “Elke keer als je God zegt, zeg je iets dat veel minder is dan God”.
“God is groter dan ons hart”, is ook zo’n zinnetje. Maar dan uit onze tijd, van Huub Oosterhuis.
Laten we het woord God een ándere betekenis leren geven dan dat van een idool. Er is namelijk iets in het woord God dat niet te vangen is, en dat altijd komende blijft.
Als ik tot zover een beetje duidelijk ben dan keren we nu terug naar die kwestie van hemel en hel. U voelt wel aan dat er een soort tweestrijd gaande is tussen goed en slecht. Dat doet zich op alle terreinen van het leven voor. En zit bijvoorbeeld al in de sprookjes die we aan kinderen vertellen. En vanuit kerkelijk perspectief is theïsme goed en is atheïsme slecht. Laten we daar maar geen doekjes om winden. Theïsme is okay. Maar atheïsme… Als je voor atheïst wordt uitgemaakt, of jezelf een atheïst noemt, dan kunnen mensen niet meer nadenken en staat de guillotine al zo’n beetje klaar.
Maar theïsme op zijn best en atheïsme op zijn best zijn nooit zo vijandig tegenover elkaar gesteld geweest. Ze hebben elkaar onderling veelmeer geraakt, zelfs gesteund, en overeind gehouden. Sommige grote theologen noemden zichzelf atheïst en omgekeerd: vaak hebben atheïsten iets van geloof. Zo werden de christenen in het Romeinse rijk aangeduid als atheïsten. Geen beeld van God, niet in hout of in steen en ook niet in je denken? Dan ben je een atheïst. Als je nooit weet vast te stellen: zó is God en niet anders, dan ben je een atheïst.
Paul Tillich, een belangrijke theoloog uit het begin van de vorige eeuw heeft een heel boeiende redenering: Stel dat twee mensen debatteren over het bestaan van God en één van hen zegt dat God niet bestaat en wijst dan op alle oorlogen en aanslagen en martelingen. Alle geweld dat wordt bedreven in de naam van God. Maar de ander zegt: kijk naar het goede. Kijk naar het bevrijdende van het geloof; het einde aan de slavernij. Kijk naar alle dingen waar christenen bij betrokken zijn en die een positief gevolg lieten zien. Tillich zegt dan: deze twee mensen hebben iets heel belangrijks gemeen: ze dragen beide een serieuze verantwoordelijkheid en zorg voor de wereld. Tillich zegt vervolgens: God is de naam die je moet geven aan zulke zorg en aandacht en verantwoordelijkheid voor het welzijn van de wereld en de mensen die daarop wonen. Een atheïst zal dan zeggen: “Daar kan ik me in vinden”. God is niet een Van der Hummes boven de wolken (Miskotte) maar God is de naam voor die zorg voor de wereld die ik ook ervaar in mezelf. En zó is er eerder toenadering dan scheiding. “Dan ben ik niet zo anti-theïst of anti-atheïst als ik eerst dacht.”
Een andere denker, om te illustreren wat ik bedoel met hoe het christelijk geloof zou kunnen zijn en wat dat betekent voor hemel en hel, is Sigmund Freud. Freud zegt: kinderen kennen veel angsten en hebben rituelen om een gevoel van veiligheid te creëren in een wereld die onveilig aanvoelt. Maar als je opgroeit, dan moet je de rituelen zien af te schaffen anders worden ze obsessief en ga je lijden aan de rituelen zelf. Dan worden de rituelen zelf onveilig en gaan je pijnigen. En Freud zegt dan: als liefhebbende vader of moeder is het de kunst om je kind te leren leven met onzekerheid en twijfel, en met de angsten die door de rituelen worden gedempt of toegedekt. Freud zegt dan vervolgens: soms is dat in de religie aan de orde en “doe” je religie, als ritueel, om je angst toe te dekken. Angst voor de dood. De vrees dat je niet mee mag doen, dat jouw bestaan niet belangrijk gevonden wordt. Het ritueel verhindert dan dat we kijken naar onze onzekerheid en onze angst.
Daarom zou ik er een lief ding voor over hebben dat iemand die naar de kerk gaat durft in te zien: Eigenlijk is mijn geloof niet bedoeld om mijn angst eronder te drukken, maar juist bedoeld om mijn angst en onzekerheid te omarmen en ermee te leven. En plotseling besef je dan: die gevoelens van onzekerheid en twijfel zijn niet mijn vijand. Eigenlijk zijn het mijn vrienden. Het is iets dat bij me hoort, in mij is. Waar ik van kan leren. Waardoor ik mezelf beter kan begrijpen en leren waarderen.
Als voorganger doe ik mijn best u te laten merken dat de scheiding tussen goed en doorleefd theïsme en atheïsme heel poreus is. En de overgang heel vaag en de nabijheid van die twee heel groot.
Daarom vind ik ook dat de kerk zich niet uit de samenleving moet terugtrekken maar er juist middenin gaan staan. Niet met een grote mond, maar met een open oor.
Theïsme en atheïsme, aangeduid als goed en boos, liggen vlakbij elkaar en helpen en versterken elkaar. Als gelovige zijn er altijd momenten van twijfel en ongeloof. Is het allemaal wel reëel? Laten we ons niet maar iets wijsmaken? En omgekeerd, als ongelovige heb je altijd momenten -waarop iets goed gaat- en je daarom een diepe dank in je voelt opkomen.
Mijn overtuiging is dit: als we geen vrede weten te sluiten met die verschillende aspecten in ons zelf die we door middel van rituelen proberen te dempen dan projecteren we ze steevast op de ander. Veel godsdienstige en kerkelijke afgunst en nijd hebben te maken met het feit dat we geen vrede hebben weten te sluiten met die aspecten die we bij de ander zo slecht vinden maar die we in feite in ons zelf eronder houden. Je ziet dat wel bij mensen die de kerk de rug toekeren. Die kunnen zich zo kwaad maken over de kerk dat je begint te denken: heb je de kerk wel achter je gelaten? Of ben je nog altijd bezig met die dingen die in jou zitten en die je niet onder ogen zag? Ze zijn dan niet zozeer ontstemd over degene die ze tegenover zich hebben maar ze worstelen met die dingen in zichzelf die ze nog niet onder ogen durfden te zien.
Veel van mijn werk -in de verkondiging met name en ook in het pastoraat dat ik doe- is daarop gebaseerd. De afstand tussen geloof en ongeloof tussen theïsten en atheïsten is veel kleiner dan mensen soms waar willen hebben. Het motto op mijn website is niet voor niets: “voor scheiding tussen kerk en haat”.
Op een gegeven moment kwam ik in de problemen. Ik ben zoals gezegd groot geworden met een geloof dat gebouwd was op de structuur van hemel en hel. Maar ik kreeg een rothekel aan de hel. Als puber. En toen zei ik bij mezelf: Ik geloof niet meer in de hel. Maar ja… dat gaat zomaar niet! Op het moment dat je dat zegt: “ik geloof niet meer in de hel” word je besprongen door de vraag: “Betekent dat dan niet dat ik er juist in terecht kóm?” Wat? Je gelooft niet meer in de hel waarom ben je dan bang dat je naar de hel zult gaan? Dus zelfs als je intellectueel er niet meer in kunt geloven is het nog steeds in je. Op de een of andere manier.
Ik denk dat dat niet alleen voor mij geldt en anders sta ik u nu een half uur lang te vervelen… Zo veel mensen hebben -terecht- denk ik, angstige geloofsvoorstellingen opgegeven. Maar zulke geloofsvoorstellingen hebben omgekeerd niet die mensen losgelaten. Ze zijn blijven spoken. Dat is volgens mij de reden dat zoveel mensen er niets meer van willen weten. Je lijkt er niet van af te komen. Mensen hebben fundamentalistische opvattingen opgegeven, maar als er iets ergs gebeurd dan vluchten ze er angstig weer naar terug. En daarom zijn hier veel lege stoelen. Ik heb bedacht: zat er maar een pokemon in De Arke. Dan was het hier plotseling weer vol met jonge mensen! Maar u bent er. En dat is geweldig, dat u er bent, altijd maar weer. Ik denk dat mensen niet alleen naar de kerk komen om te leren maar ze komen ook omdat ze zich alleen voelen, geestelijk. En behoefte hebben aan een gemeenschap die op weg is. Zoekend. En zo’n gemeenschap is daarom ook erg nodig. Want er zijn veel meer mensen die zich alleen voelen. Alleen in hun twijfels en hun angsten en onzekerheden en zich afvragen of zij dat alleen ervaren of dat er meer mensen zijn die onder ogen durven zien dat ze het niet weten.
Lieve mensen, mag ik het eens proberen onder woorden te brengen hoe het volgens mij zit? Wat wij dénken dat goed nieuws is, dus zoiets als: “u kunt de antwoorden krijgen, u kunt ontsnappen aan uw prangende vragen en uw onzekerheid. En de kerk of de dominee kan u daaraan helpen.” Wat wij dénken dat goed nieuws is: de antwoorden op al uw vragen, de zekerheid des geloofs. Het uitbannen van elke twijfel. Het geluk. Happiness. Ik ben geneigd om tegen u te zeggen: dat is slécht nieuws!
En omgekeerd: het slechte nieuws van -zucht- leven is moeilijk en doet bij tijden ongelooflijk zeer en je krijgt niet de antwoorden. -dat klinkt als slecht nieuws maar in feite is het goed nieuws! Ik ben er inmiddels van overtuigd dat leren kijken naar de duistere aspecten in jezelf, het opgeven dat alles compleet is en gaaf en áf, de sleutel vormt tot geluk in je leven. Indien je je leven verliest zul je het vinden. Er is geen godsdienst die dat zegt behalve de godsdienst van Jezus zelf. Het geloof in de navolging van Jezus als Heer. En dat gaat niet zozeer over een leven na de dood maar over het vinden van het leven vóór de dood.
Eeuwig leven is welbeschouwd niet een theologische issue maar een meer technisch-wetenschappelijke: technologie zal ons op een dag de mogelijkheden geven om eeuwig te leven. Dat ís al gaande. Ik weet niet of dat mogelijk is of niet maar dát is waar ze zich mee bezig houden. Eeuwig leven is een medisch issue. Maar de theologische vraag is: is leven mogelijk vóór we doodgaan? Is het mogelijk om te léven ín het leven, niet daarbuiten of daarna? Om de diepte en de intensiteit van het leven te ervaren, zolang je leeft? Is dat mogelijk? Dat is een kwestie van geloof.
Dus als het leven het door de dood heen redt zoals de evangelisten bij Jezus laten zien, dan is dat fantastisch. Maar: als je daarbij nooit hebt durven of kunnen ervaren wat de diepte en de intensiteit van het leven is, dan is zo’n eeuwig leven toch eigenlijk geen zegen? Dan is het eerder een vloek. De hemel wordt dan een plaats vol met mensen die verlangen naar de dood.
Als je Jezus volgt dan leer je dat het niet gaat om een lang leven maar om een leven met diepgang. Daarom moeten we leren omgaan met onze angsten en onze onzekerheden.
Lieve mensen. Voor velen van u begint straks de vakantie. Zoek de stilte op. In de natuur of op je kamer en vraag jezelf af: Wat is het dat aan me knaagt. Wat is het dat ik eronder wil houden en niet onder ogen durf te zien. Waar ben ik onzeker over. Waar begint en eindigt mijn twijfel? Wat maakt me bang? Welke dingen heb ik laten liggen die ik recht moet zetten? Wat is het dat mij zo stoort aan die ander. Waarom vind ik hem of haar zo slecht? En is dat zo? Of stoor ik me meer aan iets dat eigenlijk in mijzelf zit?
Volgens Jezus zijn er veel mensen die je moet vergeven. Voor je vijanden bidden. Om kinderen te zijn van de Vader die in de hemel is, en die zijn zon zal laten opgaan over bozen en goeden (Math 5: 45). Welke mensen moet jij vergeven? Voor wie moet je bidden? Het is niet makkelijk. Het is: De moed om te zijn, dat is de titel van een bekend boek van Paul Tillich, “The Courage to be”. De moed om te zijn is de moed om de lastige aspecten van ons leven te omarmen. De moed om in te zien dat je schuldig bent. De moed om in te zien dat dood bij het leven hoort. Als we die donkere aspecten van ons leven leren te omarmen zullen we leren te leven! Voor Gods aangezicht. Dan zal ons leven gaan over goed en slecht in ons zelf. En zullen we leren af te zien van de hijgerige jacht naar geluk en het geluk ervaren van een leven waarbij u ook de duistere kanten in uw bestaan durft te omarmen. Zodat u wordt gekend, zoals u werkelijk bént.
En dat, dat leven is een leven dat eeuwig mag duren. En voor het geluk dat dan als een kado mee komt is een hel niet nodig. En is de hemel geen beloning achteraf.
Amen

 
geluidsopname