3 oktober 2010

Geloven leer je van anderen die dat doen!

Als je Jezus in het midden zet, dan kijken wij er van deze kant, vanuit 2010, tegenaan.

Maar na Jezus kwam Paulus, en na Paulus Augustinus en de kerkvaders en Thomas de grote Roomse theoloog en de theologen van de Reformatie. En de theologen van de verlichting, van het moderne westerse denken.

Dat betekent dat we een Jezus te zien krijgen die vormgegeven is door het westerse denken. En als we daarachter kunnen kijken, zien we de vormgeving van de Reformatie en daar weer achter, maar dan moet je al gestudeerd hebben of zo, de rooms vormgeving en die klassieke omgeving en daar weer achter de paulinische… Snapt u?

Daar zit zoveel tussen. We zijn het zicht misschien een beetje kwijt.

De bijbel is ontstaan binnen een verdrukt volk, het volk Israël, gevluchte slaven uit Egypte, en rondom Jezus, een onderdrukt volk in de Romeinse bezetting.

Maar wij leven in een rijk en welvarend land, een christelijk land ook -die als het over onderdrukking en armoede gaat al snel aan anderen denkt, heel ver weg.

Terwijl Jezus in een traditie stond en zelf steeds zei: je moet Mozes lezen en de profeten van Israël, dan weet je waar het bij mij om te doen is. Wat er op het spel staat.

We hebben iets in handen (de Bijbel) waardoor we helemaal geen last hoeven te hebben van al die vormgevingen waaraan Jezus is onderworpen en waarnaar Jezus is gemodelleerd.

We hebben dat waar Jezus zelf naar verwijst. En kunnen daarin lezen. En dan benaderen we Jezus van de kant waarvan hij zelf benaderd zou willen worden. 

En het zou weleens kunnen dat Jezus dan een heel andere Jezus is dan wij dachten dat hij was.

Jezus moeten we leren lezen vanuit Israël, vanuit het boek van Israël, dus. Want op deze  Israëlzondag dienen we ons bewust te zijn dat we met Israël  verbonden zijn.

En die verbondenheid moet voor ons allereerst en vooral gelden op dít punt. Verbondenheid met Israël is allereerst dat we Jezus leren verstaan vanuit de profeten van Israël. Dan is het zoals bij de Emmaüsgangers: Die herkenden er niets in totdat Jezus één en ander begon uit te leggen. En zij liepen samen met hem op, naar  Emmaüs namelijk. En wat legt Jezus dan uit: er staat in Lukas letterlijk dit: Lu 24:27 En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had.

Dus niet álles heeft betrekking op Jezus. Dat wordt weleens gedacht, en gezegd, maar dat is toch niet zo.

Let eens op dat er staat dat Jezus uitlegt wát in al de Schriften op hem betrekking had. Niet alles dus. Wij denken dat misschien
omdat wij de bijbel zien als een boek. En zo ziet het er ook uit. Maar dat is gezichtsbedrog. Dat komt namelijk door de  boekdrukkunst.

De bijbel is geen boek. Dus motto’s als: koop dat boek, of: lees dat boek zijn verwarrend en misleidend.

Doordat het als een boek wordt gezien beschouwen we het namelijk al snel als: een wet, een wetboek met wetsregels.  Met hoofdstukken, paragrafen en regelnummers. Die allemaal even  geldig zijn. En die we stuk voor stuk op tafel kunnen leggen
om de ander een toontje lager te laten zingen.

Maar het is geen boek. Geen wetboek vol regels en voorschriften.

De bijbel is namelijk een soort bibliotheek, met allerlei verschillende boeken en boekjes en brieven en andere documenten.

Liederen, Spreuken, van alles.

En een bibliotheek wil geen wetsregels voorschrijven maar een góede bibliotheek bevat vele verschillende documenten,
documenten die ertoe doen. En die allerlei argumenten op tafel willen leggen, waar een lijn in te ontdekken valt.

Ook het woord zelf: Bijbel, is afgeleid van: “Biblia” en dat betekent: boeken, meervoud.

Ik denk dat het christelijk geloof weer meer kansen krijgt zodra we de bijbel niet langer als een wetboek zien waar je beducht voor zou moeten zijn, maar als een bibliotheek, waar het goed toeven is.

En dan vooral als we proberen die lijnen te ontdekken waarvan Jezus vind dat die in het bijzonder over hem gaan.

Eerder hadden we het over Jesaja 42. En vandaag wil ik daarbij wijzen op de profeet Micha.

Micha 6. Een tekst om te onthouden, want het is een werkelijk zéér indringende tekst. Een tekst die, als die in onze gemeente mensen weet te raken voor een enorme verandering in onze gemeente zou kunnen zorgen. Ik bedoel niet dat alles anders moet, en zeker niet dat het geen goede gemeente zou zijn integendeel, maar dat we anders leren omgaan met wat God van ons verlangt. Niet wettisch, maar ánders.

Micha 6 vers 8 is vrij bekend. Wereldwijd bestaat er een Micha-campagne, die ook bij onze diakenen in Drachten steeds meer aandacht krijgt, en die heeft als leidraad dit vers, vers 8:

Er is jou, mens, gezegd wat goed is,
je weet wat de HEER van je wil:
niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten
en nederig de weg te gaan van je God.

Maar wat niet veel mensen weten is dat dit vers een antwoord is.
Een tegenspraak zelfs.

Het gaat in het gedeelte van Micha 6 vers 6 – 8 van: niet zó, máár zo! Niet dit, máár dat!! En dan zouden we dus kunnen vragen: Wát dan niet?

Ik zal het u laten horen, en dan moet u luisteren naar de climax, die erin zit: het wordt steeds groter en groter:

6 Waarmede zal ik de HERE tegemoet treden
en mij buigen voor God in den hoge?

Zal ik Hem tegemoet treden met brandoffers,
met eenjarige kalveren?
7 Zal de HERE welgevallen hebben aan duizenden rammen,
aan tienduizenden stromen van olie?

Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding,
de vrucht van mijn schoot voor de zonde mijner ziel?

Kijk dit is wat ik bedoel. Offeren, meer en meer. Er staan heel veel teksten over offeren in de bijbel. En dus is dit geen gekke vraag:
waarmee zal ik de Heer tegemoet treden? Want een God eist nu eenmaal offers. Dus zal dat ook wel voor de Here, die bijzondere God gelden.

Maar hoeveel is er nodig?

Brandoffers, is dat voldoende? Een stapeltje hout, of wierook?
Of moeten het éénjarige kalveren zijn? Dat is al meer. Of,  misschien wel duizenden rammen?

Hoeveel is goed genoeg?

En als duizenden rammen niet volstaat, dan tienduizenden stromen van olie, -dat is niet niks, tienduizenden oliebronnen?

Of, en dat is nóg meer: moet ik mijn eigen kind opofferen? Is dat de bedoeling?

Nee, helemaal niet. Dat is volstrekt niet de bedoeling. De Heer heeft gezegd wat hij zoekt bij mensen, waar Hij naar verlangt: -en dan komt het, en nu zijn we dus in dat beroemde vers 8,
als antwoord op die waanzin van dat steeds maar méér offeren,
– en als je verschrikkelijk veel hebt, kun je ook veel offeren. En er zijn er zelfs die mensen hun eigen kinderen te moeten offeren.

Nee, ben je nu helemaal, reageert Micha dan:
De Heer heeft je gezegd waar Hij naar verlangt,
en dan komt het: géén offer.

Recht doen. Het doen van Mishpat, staat er. Dat is dat er  gerechtigheid moet heersen. De Heer wil dat je opkomt voor  rechtvaardigheid en strijdt tegen onrecht, maar daar wordt iets verbonden: de Heer wil ook dat je, en dan staat er letterlijk:
de chesed liefhebt. Dat je een liefhebber bent van, tja wat is chesed?

“Chesed” is: weldadigheid, goedheid, dat het leven solide is, chesed is liefde, maar dan niet zoetsappig, maar stevig en betrouwbaar. Dus opkomen voor recht en gerechtigheid, de rechterhand, zeg maar en van de chesed houden, de weldadigheid liefhebben. De linkerhand. Daar komt het op aan.

U moet zich voorstellen: we staan bij een rivier. En plotseling ziet één van ons een drenkeling in de rivier drijven. We maken een ketting en halen de drenkeling uit het water, passen mond-op-mond-beademing toe, bellen 112, en de ambulance brengt de drenkeling naar het ziekenhuis. Maar de ambulance is nog niet vertrokken of: weer een drenkeling. We maken weer een ketting,
redden de drenkeling, en bellen 112. En de tweede ambulance is nog niet weg of: een derde drenkeling! En na de zesde drenkeling zal het toch wel zo zijn, dat iemand van ons zegt: laten we eens hogerop, stroomopwaarts gaan kijken wie er deze mensen in het water aan het gooien is?

Dus geen offers, maar een linker- en een rechterhand: opkomen voor het recht, vooral van dat van diegenen die geen of weinig rechten hebben, en houden van de weldaad, de liefde, de  barmhartigheid.

Barmhartig is een mooi woord. Het betekent letterlijk dat je een arm hart hebt voor andere mensen. Die ‘b’ hoort er eigenlijk niet bij. Arm hartig. Je zou kunnen zeggen: een hart voor de armen.

Van misericordia. “Cordia” is hart en “misère” is, nou ja,
dat je kopje onder gaat dus.

En als je zo met de dingen bezig bent, niet in dingen gelooft, met je verstand, beschouwend, maar praktisch dóet, -als je zo doet, dan ga je je weg vol ootmoedigheid. En mét God.

In God geloven is niet bepaalde dingen menen, of denken, het is  een weg gaan.

Als er iemand bij mij zou komen en die zou vragen: Hoe moet ik in God leren geloven, dan zou ik zeggen: dan moet je contact zoeken met mensen die dat dóen. Kijk hoe zij dat doen. Doe met hen mee.

Dan komt het vanzelf. Vanzelf?

Nee, dan krijgt de Heilige Geest de gelegeneheid om zich bij je te voegen, aan je te hechten. Het is net als met een fiets. Fietsen leer  je alleen door te… fietsen.

Geloven kun je niet in je eentje en je kunt het niet leren uit een boekje. Geloven leer je alleen door… te doen.

Dus zoek contact met andere mensen die het doen!

In de film Schindlers List zijn het de Duitse fabrikant Schindler en zijn Joodse secretaris, die samen namen van joodse slachtoffers van het facisme op een lijst weten te krijgen. En zij  vragen zich niet af wat de verschillen in geloof tussen hen zijn.
Zij doen samen iets. Zij hebben samen een rechter en een linkerhand. Zij komen op voor de Joden in Nazi-Duitsland
maar ze redden concreet Joden uit de handen van de fascisten.

En Schindler is er nadien niet trots op, op het grootse wat hij heeft gedaan. Integendeel: hij vind van zichzelf dat hij meer had kunnen doen. Hij had zijn gouden ring kunnen offeren en dan had hij daar nog een aantal joden voor kunnen vrijkopen. Hij had zijn auto  kunnen offeren, dat had nog een heel aantal Joden gescheeld.

Zo heeft Jezus zichzelf opgeofferd. Niet om daarmee God tegemoet te treden “Waarmee zal ik de Here tegemoet treden, met offers?” Nee Jezus offerde zich op om niet de Heer tegemoet te treden, maar om óns tegemoet te treden.

Niet God moest verzoend worden, wíj moesten verzoend worden.

Wij moesten leren inzien dat je niet aan een drenkeling voorbij kunt lopen en dat je na de zoveelste drenkeling ook eens iets moet zeggen van het feit dat er zoveel drenkelingen ontstaan…

En zo krijgen we door Micha méér over Jezus op ons netvlies
dan via allerlei moderne theologische beschouwingen.

En het hoeft dus ook allemaal niet zo groots en meeslepend.
Als het maar niet uit de hoogte is. Als het maar eenvoudig is.

In sommige vertalingen staat er dan in Micha 6: 8: werk aan rechtvaardigheid en hou van weldaden en wandel in nederigheid de weg met God. Nederig is een verwaarend begrip. Nederig is dus niet: kruiperig.

Nederig, of ook wel ootmoedig, in het engels staat er “humble”
is, dat je bent zoals Jezus was. Je bent langzaam. Langzaam in het  veroordelen van anderen.

Als je trots bent en hooghartig veroordeel je namelijk veel sneller.

Een gemeente van mensen die op Jezus willen lijken nemen dus geen standpunten in maar gaan een wég. Op standpunten staan we namelijk stil. Op een weg komen we vooruit.

Amen

Leave a Reply