De Priesterlijke zegen (leerhuis)

Leerhuis 9 september 1986 Numeri 6, 22-27. ‘De priesterlijke zegen’.

De Nieuwe Vertaling. In de Statenvertaling hebt u heel wat anders. Kardinale woorden ontbreken in de Nieuwe Vertaling.
Lezen Numeri 6, 22 – 27. U hebt thuis al wel gelezen, dat er heel wat aan vooraf gaat. Vers 1: de wet op het Nazireeërschap. We gaan het niet helemaal uit elkaar halen. Maar de eerste verzen: De Here sprak tot Mozes: Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer iemand man of vrouw, een bijzondere gelofte wil afleggen, de nazireeërbelofte, om zich aan de Here te wijden, dan zal hij zich van wijn en bedwelmende drank onthouden enz.. Het nazireeërschap.

Verreweg alle Hebreeuwse werkwoorden bestaan uit drie medeklinkers, hier ook n z r , dat is het werkwoord afzonderen, apart zetten. Inderdaad iemand die er speciaal werk van gaat maken, om zich met het werk van de Here God bezig te houden. Even wijzen op, dan weet u wat voor kleur er in dit stuk zit. Vers 5: Al de tijd van zijn nazireeërgelofte zal geen scheermes over zijn hoofd komen. 5 slot: hij zal zijn hoofdhaar lang laten groeien, hij zal bij geen dode komen enz.. Daar is natuurlijk ook veel over te zeggen, maar even zeggen: de evangelisten hebben soms de neiging, nou neiging, ze spelen met het woord nazireeër en met het voord Nazarener. Iemand uit Nazareth of iemand die een nazireeër is. Spreekt nou zo’n evangelist over de Nazoreeër of Nazireeër of is Jezus de Nazarener. Het loopt door elkaar heen met een bepaalde bedoeling. Dat krijgt u ook met de stad Jeruzalem. Dan is het weer Jeruzalem in het Grieks en dan weer Hierosolyma. Dat laten we nu rusten.

Nazireeërschap, iemand die zich speciaal aan de Heer gewijd heeft. Dat ruikt al naar een bepaald priesterschap. En dan eindigt dat in vers 21 en dan komt de priesterlijke zegen. Daar is heel wat over te doen, namelijk dat kleine stukje tot vers 27, moet dat daar wel staan. En inderdaad als u het mij vraagt, daar is geen duidelijk antwoord op te geven, het kan een zwerfkei zijn, een stukje, dat zonaar daar neergezet is. Het zou ook een bepaalde plek kunnen hebben, aangezien er gesproken is over het nazireeërschap, omdat die zegen gegeven wordt door de priesters. Jan kun je weer een scriptie maken over of het dan terecht is dat Jacob het ook deed en David ook. Dat laten we rusten.

Dat we dit stukje hebben genomen komt, omdat dit stukje nu in Jeruzalem wordt ten toon gesteld, dat kleine opgerolde stukje is in 1975 opgegraven. De zegen van 2600 jaar oud. Het is 500 Jaar ouder dan de Dode Zee rollen. De Dode Zeerollen zijn van 200 voor Christus en deze van 700 voor Christus. Een heel klein stukje perkament dat daar gevonden is. De maat: het is ongeveer 27 millimeter, dus ongeveer 2½ centimeter bij 9 centimeter. En dan is het merkwaardige dat de tekst krek gelijk is aan wat u hier voor u hebt. Niks veranderd, want ze konden goed hun geheugen raadplegen en ze konden goed overschrijven. Het was een heilige tekst en als er ook maar één schrijffoutje is zit, dan werd de zaak verbrand. Dat gebeurt nu nog. Hier hebt u de tekst van 2700 jaar oud voor u.

Zo kon u zich ook verbazen toen ze in 1947 in de Dode Zee grotten de rol van Jesaja vonden, die was van 200 voor Christus. Onze oudste rol van Jesaja is ongeveer van 600 na Christus. Dan vindt je nota bene een rol van 200 voor Christus en laat die nou krek gelijk zijn. Er is in die achthonderd jaar niks veranderd, En maar overschrijven, niks veranderd. Nou, dat kunnen wij niet.

Dan krijgt u de opbouw van de zegen. U ziet op het stenciltje, dat ik de woorden zo aan elkaar vastgemaakt heb zoals in de grondtekst staat. B.v. vers 24 bestaat uit drie woorden. Hij-zegent-u de-Here en-bewaakt-u. Het koppelwoordje en zit dus ook vast aan een woord. Dat en is nooit los. Hemel en-aarde, dan zit het aan het volgende woord vast. Als u 25 leest dan leest u: Hij-doet-lichten de-Here zijn-aangezicht naar-u en-is-u-genadig. En u telt 5. Zopas 3 en nu 5.

Vers 26; Hij verheft de-Here zijn-aangezicht naar-u en-zet-neer voor-u vrede. 7 woorden. U hebt al in de gaten wat de apotheose, de ontknoping is, dat is het woord sjaloom. Drie, vijf, zeven. Het wordt steeds sterker om uit te barsten in het begrip vrede, sjaloom.

Die driedeling, drie, vijf, zeven. Als u in de grondtekst gaat kijken, dan ziet u vijf medeklinkers staan in die eerste regel, drie maal vijf medeklinkers in de eerste regel, vier maal vijf medeklinkers in de tweede regel en vijf maal vijf in de derde regel. U mag het vergeten, als u alleen daar ziet, dat is de onderstreping van het gaan naar die climax, vijftien letters, twintig letters, vijfentwintig, letters. Die driedeling heeft de oude kerk nogal dwars gezeten in de goede zin van het woord, want men heeft drie keer het woord Here gehoord en men heeft dat al gauw gekoppeld aan de drie-eenheid en die zou dan hier werden afgeschilderd.

Gaat u in de synagoge kijken, dan zijn daar ook weer bepaalde betekenissen aan gegeven, Ik neem een Joods commentaar. Dan wordt bij vers 24 herinnert aan de drie aartsvaders, bij 25 aan de tora, de vijf boeken en wat doen ze dan bij die zeven, en dat zijn dan de zeven hemelen, U ziet het zogenaamde syncretisme, de vermenging van godsdiensten, daar is Israël ook niet vrij van gebleven, want die zeven hemelen komen niet uit de bijbel, die komen uit Babylonië. Waarom nou niet zeven dagen, dat zou je kunnen slikken, maar ik heb het zo in een Joods commentaar gelezen.

Dan is er ook nog een Joods commentaar die zegt: de eerste zegen, dat gaat over het materiële, en 25 zou dan het spirituele, het geestelijke zijn en het derde zou dan een combinatie van die twee zijn. Nou ik denk altijd als je een goed glas water gedronken hebt dan zie je nog veel andere dingen, maar geforceerd. Wat wel boeiend is hierbij, zeker bij de inleiding, dat is……..als u hier wel eens in een oecumenische dienst bent of in een katholieke dienst, dan eindigt die dienst, en als dan in een oecumenische dienst een katholieke collega afsluit, dan eindigt hij met: Zegene u de almachtige God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Ik ben er achter gekomen, dat is een verplichting, eeuwen geleden zo vastgesteld en dat heb je maar te zeggen. Zo eindigt elke kerkdienst.

Dat was dus ook zo voor 1517, waar de toekomstige protestanten bij zaten. Luther en Calvijn, die zijn degenen, die hebben gezegd, daar moeten we vanaf, we moeten weer de zegen nemen, zoals die genoemd wordt in het Oude Testament. Die hebben het missaal doorbroken, en gezegd: dat is niet de zegen, die komt zo in de bijbel niet voor. Na 1517 is die gedachte opgekomen en bij de synode van Dordrecht in 1574, daar heeft men het vastgelegd. Art. 37: men zal de predikatie besluiten met de zegen uit Numeri 6. De zegen zoals u hem hier hebt, die kan je in elke vorm zeggen,als maar het werkwoord staat in de aantonende wijs. Zodra je het zegt in de aanvoegende wijs, moge de Heer u behoeden, is het geen zegen meer. Het is hartstikke vroom, maar het heeft niks met de bijbel te maken. Dat moet je op je examen niet lappen, dan sturen ze je naar huis. Waarom je het dan altijd toch hoort in deze aanvoegende wijs, nou ja. Dan is het een vrome wens. DE ZEGEN IS ABSOLUUT GEEN WENS .

Dat hebben wij er van gemaakt, wij zeggen: ik hoop dat het goed gaat, mijn zegen heb je en dergelijke. Dat is het dus niet. Het missaal heeft het woord zegenen in de wensvorm, moge de almachtige God u zegenen. Nee, God zegent u. Ik dacht dat je daarvoor in de kerk kwam, waar het nou juist in jouw leven een feit is, en dan moet je niet staan te wensen, dat kun je van je opoe ook horen; nou, jongen, ik hoop dat het goed gaat. Maar daar hoef je niet voor in de kerk te komen, dat de dominee je iets toewenst. Het is de enige plek op de aarde, waar de mensen samenkomen rondom de Schrift, waar je elkaar niks wenst, dat doe je buiten. Heidenen weten niet wat het is, ze houden hun hart vast of zijn vroom. Maar rondom de Schrift ga je uit van een feit.

In de synagoge wordt de zegen nog zo gebruikt, bij de orthodoxen uitgebreider dan bij de liberalen. Uit het gebedenboek, dat u kunt krijgen in Nederland, krijgt u een beschrijving. Het uitspreken van de zegen door de priesters: Op feestdagen wordt de priesterzegen uitgesproken zoals in de tora geschreven is. Wie doen dat? De Cohaniem, u hoort het meervoud van Cohen. De Cohaniem, afstammelingen van de eerste priester Aäron, die hebben de opdracht dit te doen. Voor zij dit doen, trekken zij hun schoenen uit en wassen de handen. Met dit laatste worden zij geholpen door de Levieten, uit de stam van Levi, en als die er niet zijn, dan door de eerstgeborene, de oudste dus. Het gezicht wordt bedekt door een talliet, een gebedsmantel en als ze de zegen gezegd hebben, keren zij zich om met het gezicht naar de gemeente en zeggen, de handen uitgespreid, de zegen, die de voorlezer hem woord voor woord voorzegt. En dan gaat het om de houding van die vingers.

Als de paus de zegen geeft doet hij zo: middenvinger en ringvinger gekruist, dat is de ch, de X, de Griekse ch en dan wijsvinger en duim een rondje, ro. Dus hij maakt het teken van chr van Christus:Xo
In de synagoge is het zo: ש en dan wordt het de afbeelding van de letter sj, dat harkje, de eerste letter van sjaddai. Dat wordt dan weer vertaald met Almachtige, en dan ga je weer vechten natuurlijk, want het gaat niet om almacht van God in de bijbel, het gaat er om, dat Hij jou voldoende is.

Dan krijg je: De Here nu sprak tot Mozes: spreek tot Aäron en zijn zonen: Zo zult gij de Israëlieten zegenen.
U ziet in de Nieuwe Vertaling drie maal een dubbele punt. Als u de Statenvertaling neemt dan ziet u voor die drie dubbele punten een woordje staan en dat is dan weer weggelaten in onze Nieuwe Vertaling en dat is nou juist zo aardig. Ik zal het u voorlezen met het accent er op. De Here sprak tot Mozes zeggende: Spreek tot Aäron en zijn zonen zeggende: zeggende tot hen. Drie maal. En dan weet u, als het drie maal zo voorkomt, dan heeft het alle gewicht. Het gaat er om, dat er een woord gesproken wordt. Dan moet u zich niet laten verleiden door de mensen die zeggen: Ja, ze staan in de kerk maar de praten, je mag niks terugzeggen. Het gaat niet om terugzeggen, het gaat over, dat er een woord over de Here God gesproken wordt. Gesproken wordt. En dat rijmt niet met onze gedemoniseerd democratie, die zegt: Je moet ook wat terug zeggen. Dat heeft met de Schrift niks meer te maken. Als Jezus tegen zijn discipelen zegt: wie zegt gij, dat Ik ben, dan is het niet om inspraak te krijgen, want het gaat wel door. Hij heeft net de lijdensaankondiging laten horen, dus het gaat wel door.

Zeggende, drie maal. Het gaat om het spreken van de priester, een woord dat gesproken wordt. Het moet een woord zijn, waardoor mensen op hun benen gaan staan en dan moet je niet zeggen: Nou, Mien ik hoop dat het goed gaat morgen, want dan zegt Mien bij de kapstok: nou, ik hoop het ook maar. Dat moet je niet zeggen, dan gaan de mensen hopen.

Nee, het wordt gezegd. Als een feit wordt het tegen je aangedrukt. Aardig is in dit verband, u hoort drie keer zeggende. Zeggende, zo zult gij de Israëlieten zegenen, zeggende. En het aardige is, dat is in de middeleeuwen de Joodse commentatoren al opgevallen, dat de derde keer, dat het woordje zeggen in de tekst voorkomt wordt het woordje zeggen voluit geschreven. De o kan je schrijven als punt, zo • Een punt in de hoogte is een o. Maar wilt u het uitvoeriger schrijven en onderstrepend, je zou kunnen zeggen, een soort notariële acte, van daar kun je niet meer onderuit zo is het, dan wordt de o zo geschreven •ו apart, een punt met zo’n stokje. Als je het woord sjaloom neemt dat kun je het zo schrijven m•l sj, van rechts naar links, maar wil je het breedvoerig zeggen, dan horen we dit stokje met een punt m •ו l sj. Dat is voor de uitleg van een tekst ontzettend belangrijk, staat er nou een punt of staat er een volledige o. En dan moet je verrekte goed kijken, want nu heeft het woord sjaloom een zeer bijzondere betekenis in de tekst.

Wat mij wanhopig maakt, als iemand die nog maar acht jaar bezig is, als predikant, mij zegt: Dus je denkt toch wel, dat het belangrijk is als ik mijn Hebreeuws weer ga ophalen, want ik kan er niks meer van lezen. Vorig jaar, 1985.

Drie keer en bij het laatste woord zeggen,het volledige accent, omdat het zo bijzonder is, dat een mens iets te horen krijgt wat HOUT SNIJDT. Ook al aanvaardt u dat niet. Waarbij ik dan heel drastisch zeg: Dat zal mij een zorg zijn. Ja, dat zal mij geen zorg zijn, daar lig ik niet van wakker. HET MOET GEZEGD WORDEN. En dat u dan zo ondeugend bent, om te zeggen: Ja, maar als je de krant opendoet. Op die krant komen we dadelijk terug.

Zo zal je ze zegenen. Bij mijn aantekeningen van december 1985, het woord zegenen in het Latijn – benedicere is zegenen in het woordenboek, maar dat zegt u niks, maar dan moet u het zo doen, dan moet je een streepje zetten, dan is bene het woordje goed en dicere het werkwoord spreken, bene-dicere. Goed spreken over iemand. ‘O, is het waar, zeg het nog eens’: goed spreken over iemand, dat is zegenen. Iets leuks zeggen over iemand. Aardig is om te weten, dat, wie hier de prijs nu krijgt, de maker van de Vulgaat, Hyronimus. Die heeft, net als ik allerlei gekke dingen en ook hele goede dingen, goed gezien, zegenen vertaalt hij met benedicere, goed woord tegen iemand zeggen, zodat hij er van opknapt. Het aardige is, dat de Griekse vertaling van het Oude Testament, die Septuagint van 200 voor Christus, die heeft dat in het Grieks: eu – goed en logia, eulogia. Dan zeg je goede dingen. Hadden we nu maar die betekenis van Hyronimus vastgehouden, van goed woord zeggen, dan was het niet zo zweverig geworden, zoals het zou in de kerkdienst is, waarbij mensen eerbiedig hun hoofd buigen en de ogen dicht doen, en jij maar wuiven. Het kan niet knotser. Er gebeuren gekke dingen zeg, dan doe je je handen omhoog, dan doet de gemeente de ogen dicht. Die tasjes zijn voorbij. Vroeger hoorde je al die tasjes knippen en de heren zochten hun handschoenen op.

Het woord zegenen in ‘t Hebreeuws, dan krijgt u dit, nu van links naar recht, dat vind u wel goed zeker, b r ch – zegenen en dan staat er achter, knie. Het heeft met elkaar te maken, knie en zegen. Het heeft niks te maken met knielen. Knie heeft in heel wat teksten de verbinding met levenskracht. Bij Boaz en Ruth, dan raakt zij zijn benen aan. Dat hebben we heel zachtjes gezegd, met het oog op het publiek daar buiten, maar het heeft wel te maken met die voortplanting, met de groeikracht, met de vruchtbaarheid, zodat je voor dat woord benen net zo goed het geslachtsdeel kunt noemen.

En als u zegt: waar heb je het nou toch over, dan moet u eens kijken naar Genesis 50,23. Eén voorbeeld, want er zijn heel wat knieteksten in de bijbel, maar je preekt er maar niet over.

Genesis 50,23: En Jozef zag van Efraïm het derde geslacht. Ook de kinderen van Makir werden op Jozefs knieën geboren. Op de knieën geboren worden. Het heeft te maken met de levenskracht die in hem gezeten heeft wordt doorgegeven aan het kind. Gr.N. daar staat: de kinderen van Makir zag Jozef aan als zijn eigen kinderen. Dus hij adopteerde ze. Kijk, dan begrijpen de buitenkerkelijken het beter. In vrouwelijke zin is dat hetzelfde, want de bijvrouw van Jacob baart op de schoot van Rachel. Ja, omdat het een bijvrouw is wordt daarmee het kind met die kracht van die vader in contact gebracht. Het gaat wel om die kracht.

U ziet, daar heeft die zegen moe te maken. We voelen steeds, meer de kleur, Barach heeft te maken met kracht en die zit in die knie.

Een goed woord tegen iemand zeggen, zodat iemand zich durft ontplooien. Elderenbos: tot volle ontplooiing brengen. Doordat jij een woord zegt, een goed woord, die ander tot ontplooiing brengen. Dat is de zegen.
Dat kunt u omzetten in andere voorbeelden, je vertelt iets leuks aan iemand, die zit een beetje in de put, die heeft er geen zin meer in en dan zeg je iets. ‘Nou, ik ben toch wel blij, dat je gekomen bent’. ‘Zal ik dan morgen nog eens bellen?’ ‘Nou nee, nou zie ik het wel weer zitten.’. Dan heb je dus een zegen gegeven. Dan ben je tot zegen, in ‘t Hollands, omdat je een goed woord gesproken hebt.

U hoort het, HET GAAT OM EEN FEIT en het gaat niet om een vrome houding met de ogen dicht en we wensen het elkaar toe. Dat doe je niet in de kerk. In de kerk wens je niet.

Ik lees voor u uit Joodse riten en symbolen van rabbijn de Vries en die zegt: uitgesproken alleen op feestdagen, met de handenwassing vooraf, de vingers op bepaalde wijze uitgespreid, want niet in hun gesloten handen dragen zij de zegen, die kan slechts uit de hoge dalen en uit hun handen komen. Ziet u wel, je hebt alleen maar het woord te zeggen, wat de Here God laat. De handen met de taliet, met die gebedsdoek overhuifd, ook om te voorkomen dat men uit het publiek kritisch zou kijken naar de opgeheven handen, met die vingers.

Het zijn de eerste drie letters van almachtige, van sjaddai. Je moet niet denken dat jij de zegen in je handen hebt, daarom zijn jou handen geperforeerd, je mag het alleen maar aanzeggen. En de andere gedachte is de verbinding met Hooglied: Mijn geliefde staat achter de tralies en ziet naar mij. Dan worden die vingers met die tralies vergeleken; God kijkt door die vingers naar beneden uit de hemel.

Nu we deze inleiding gehad hebben moeten we nu alle nadruk leggen op vers 23 slot; Zo zult gij de Israëlieten zegenen. De Statenvertaling heeft het nog breder: Alzo. En dan met twee oo’s, alzoo, vijf letters. Hoort u het, het is niet een wens, maar zo moet het gebeuren. Zo wordt het feit jou aangezegd. Nou, dan ga je weer de mist is. De Friesche bijbel: As jimme. Dus als. De Wachttoren heeft het goed: zo dient gij de zonen van Israël te zegenen. Maar dan krijgt u die vertaling van Hawinkels en die heeft: Wil je de Israëlieten geluk en voorspoed wensen, spreek dan deze woorden over hen uit. Nu is het helemaal kapot. Wil je, niet als gebod, maar wil je, als het je uitkomt enz., wil je de Israëlieten geluk en voorspoed wensen. Hoort u, dat we helemaal van het Joodse begrip zegen af zijn, nu is het geluk en voorspoed wensen. Willibrord: als gij de Israëlieten zegent doe het dan met deze woorden. Maar Gr.N. heeft het goed: Zo zullen jullie de Israëlieten zegenen. En dan blijkt de inhoud van deze drie regels het hele evangelie in te houden. Maar je moet het wel in de aantonende wijs zeggen en er geen wens van maken. Ik heb hier nog een ander formulier, maar het komt op hetzelfde neer: het geheim van de zegen is dat iemand een stimulans krijgt om de capaciteiten die hij heeft te realiseren. Dus er zit wat in je, iets aardigs, je kan goed schrijven, pianospelen, of iets anders leuks, nou en die zegen, die houd zoveel in, dat een mens zegt: Ik ga dat doen. Dus je wordt tot iets goeds aangezet. Kantekening van de Statenvertaling heeft hierbij, en dan gaan we weer de mist in. Ik neem de hoofdzin: Als priesters alles goede aan de gemeente toewensen. En aangezien we naast de Statenvertaling ook die kantekeningen gebruiken, bleef die zegen altijd in die wensvorm staan. In 1657 is het er ingekomen .

We zouden nu moeten kijken naar de eerste regel, de Here zegenen u en behoede u. Ik heb u voorgelegd: Hij zegent u en bewaakt u. Dat is het verbond dat de Here God met zijn mensen gesloten heeft, daar gaat Hij niet achter terug, dat staat als een paal boven water. Dat behoeden moet je goed uitwerken, want ik denk dat daar heel wat landmijnen onder liggen. Want als je dat in de aantonende wijs gaat zeggen – kijk, wijsvorm is niet erg, de Here zegene u en behoede u. Ik hoop, dat ik veilig thuiskom, maar wanneer je het in de aantonende wijs gaat zeggen, dan wordt het anders, de Here zegent u en behoedt u. Ja, dan pak je de krant en dan klopt er geen bliksem meer van.

Het werkwoord wat hier gebruikt wordt is smeris, s m r daar gaat het om. Want als dat werkelijk bewaren zou zijn, wat doe je dan met Auschwitz en wat doe je dan met Istanbul met die synagoge. Voelt u wel. En nu maar vragen aan mij, waarom die mensen uit de kerk gelopen zijn. Als die dominees vertalen, God bewaart u, dan loop je de kerk uit. Hebt u ooit van mij gehoord, dat God je bewaart? Dat heb ik nooit gezegd, dan moet u in een religieuze samenkomst zijn, dan hoor je dat God je altijd bewaart. Alleen het gemene is, dat ze dan plotseling overspringen op je ziel, want u zei het laatst: hij bewaart me toch niet, moet u mijn broer zien, daar ligt hij nu in ‘Dijkzicht’. Jawel, maar in de bijbel betekent het, al zou je lichaam kapot gaan, dan bewaart Hij nog je ziel. Dan denk ik altijd, zo lust ik er meer, zo kom ik er altijd uit. Dat heb je altijd in de godsdienst gehad, we kunnen er altijd uitkomen, dan gaan we het gewoon in een hogere laag zoeken, nou, daar zie je toch niks van.

Maar dat is het niet. Dames en heren, het werkwoord sjamar is niet bewaren en dat ziet u in de Franse bijbel het beste. Als het waar was, dat het sjamar s m r bewaren was, dan zou er in de Franse bijbel moeten staan, b.v. psalm 121 de Heer zal uw ziel bewaren, uw uitgang en ingang: bewaren. Ja, gunst ik zeg het ook. Ik heb gemerkt als je de tekst gaat zeggen zoals het er staat, dat de mensen helemaal niet meer luisteren; dat kan het niet zijn.
Mijn moeder zij het anders. En u weet, moeder gaat voor. Moeder gaat altijd voor. Wat dat betreft gaat de kerk kapot aan moeder- en vaderbinding. De Heilige Geest is altijd het meest actief geweest in het verleden. Je begrijpt er niks van. Vandaar dat de katholieken mij zo enorm irriteren door over de traditie te beginnen. Trouwens protestanten ook. ‘Zou Hij dan niks doen nu?’ ‘Nee, het accent ligt wel in het verleden.’

Nou, s m r is niet bewaren, maar Franse vertaling: garder. Hij zal je garder. En er staat niet, en dat zou je verwachten als het bewaren was, dan zou je verwachten dat het ut woord conserver, conserveren was. Maar er staat niet conserveren, maar Hij zal je garder, bewaken. Toen dacht ik, toen ik hier mee bezig was, hoe kan ik dat nou zo formuleren, dat u het nooit meer vergeet. Ik heb ook vaak gedacht als jongetje, dat God je conserveert. Vandaar is het wel goed dat je een opdonder krijgt, dat het helemaal niet meer klopt, dat het helemaal uit de klauw loopt. Conserveren is het niet. Garder is het. En daarmee is het bewaken. Hoe kan je dat kort zeggen: Ik wil het zo zeggen: Bewaken, opstellen tegenover de aanvaller, dat is bewaken,en bewaren, opstellen tegenover het object, tegenover degene die bewaakt moet worden.

Bij bewaren staat God dus zo om die mens heen, maar er staat bewaken, namelijk, Hij is naar buiten gericht, als het ware, mag ik dat zo zeggen in dit verband, met de rug naar je toe. Hij staat naar buiten gericht. En dan begrijpt u wel wat er nu op het podium komt. Namelijk, dan is Hij bezig met die Leviathan, met de demonen. Daar is die bewaker mee bezig, aan het worstelen…. zo….. dan krijg je Golgotha. Je zou kunnen zeggen: op Golgotha staat God niet met het gezicht naar de mensen toe, vandaar dat je Hem ook niet ziet. Hij staat met zijn rug naar je toe en is helemaal naar de demonie gewend en Hij vecht. Pascal heeft gezegd: Jezus zal in doodstrijd zijn tot aan het einde der dagen, agonie tot aan het einde der dagen.

Dus sjamar is niet bewaren, dat is conserver en dan gebeurt je niks. Wat zijn er een mensen de kerk uitgelopen, omdat moeder zei: als je gelooft gebeurt je niks. Dat komt door dat rottige woord bewaren, er staat bewaken. Bewaken is, er kan je van alles overkomen maar Hij trekt het zich wel aan en daar is Hij mee aan het vechten. Dat is bijbels denken, Hij is er mee aan het vechten.

Vraag: Als je dat nou een liturgische vorm zou geven, de Heer zegent en bewaart u, dan zou je verwachten, dat een dominee op het moment dat hij gaat zeggen bewaakt u, dat hij zich omdraait met de rug naar de gemeente, is dat geen katholieke traditie, dat men naar het altaar gaat staan? ‘Nee, dat is de traditie dat de tabernakel daar zit en dat hij dus daar zich toe richt, op het heilige. Ja, u legt de nadruk op die rug, maar bij die oude zetting werd de nadruk gelegd op het aangezicht van de priester naar het heilige toe, naar het brood’. ‘Ja dat is positief, dat is heel anders’. ‘Dat is bij Job ook zo, als God zegt, dat Hij met de monsters bezig is’. Ja, inderdaad, u vindt het trouwens meer.

We hebben nog één minuut. Ja, in psalm 121 komt het zes keer voor in de Franse vertaling en die heeft dan zes keer garder, bewaken en niet conserver. Misschien mag je er wel wat positiefs in horen in dat bewaren, maar je gaat wel de mist in bij Willibrord, als je zes maal zegt: de Heer zal u behoeden. Kom dan eens mee naar de Hoedkliniek. Het is geen woordspeling, maar kom eens mee, zal Hij je behoeden? Nog één ding. Ik ga drie Latijnse woorden opschrijven en die moet u allemaal kennen en daar hebt u het werkwoord bewaken in. ‘vigilat ut quiescant’. Op de portieren van de politieauto staat het. Hij waakt – vigilat ut – opdat zij rusten.

PAUZE

Eén van u heeft mij gewezen op een krantenartikel en dat moet ik even zeggen. Daar komt in dat krantenartikel voor een vertaling van die zegen en daar staat: De Eeuwige zal u zegenen en beschermen. Dus nu is bewaken, via bewaren beschermen geworden. Gr.N. even horen: Moge de Here u voorspoed geven en u in bescherming nemen. Dat is helemaal kapot natuurlijk.

Eén ding viel mij nog op. Hij zegent u, de Here, en bewaakt u. Ik heb het al eens meer gezegd, maar het is zo ontstellend belangrijk. Dat woord Here. Het Grieks heeft voor het woord Here, Kurios. Kurios, en waarom is het zo belangrijk? Omdat het woord Kurios door de evangelisten gebruikt wordt als ze het over Jezus hebben. Dat is verrekt belangrijk, want u voelt wel, hier wordt een hele duidelijke lijn getrokken van de Here God zo rechtstreeks naar Jezus toe. Kurios. Vandaar Kyrieleis, of Heer erbarm u. Ook de Septuagint heeft het werkwoord bewaken. Dus de vertaling wordt: Hij zegent u, de Here, en bewaakt u.

Vers 25: De Here doet zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig. Hij doet lichten de Here zijn aangezicht naar u, in de richting van u, naar u toe en is u genadig. Gr.N.: Moge de Heer u welwillend aanzien en zich over u ontfermen. De Latijnse vertaling: Moge de Heer zijn aangezicht u tonen. Ja, dat kent u, het is niet goed vertaald, want doen lichten is niet tonen. Gaat u nu naar het Grieks kijken: Moge de Kurios zijn aangezicht naar u tonen en dan staat er het woord epifanai en dat is de zesde januari, epifanië. En epifanië betekent toning, verschijnen (het Latijn, tonen – ostentatief, nou dat werkwoord ostentare staat er, tonen). Het gaat niet om tonen, het gaat om dat lichten. Epifanië – vertonen, verschijnen en het wordt gebruikt van de wijzen uit het Oosten, die naar Jezus toekomen. Ik heb het voor u nagekeken, dan zou epifanië betekenen, dat de heidenen zich nu aan Jezus tonen, nou, ik denk dat het andersom is, als ik naar mezelf kijk, dan denk ik niet dat ik mijn opwachting bij de lieve Heer maak. Dat doet Hij bij mij, maar niet andersom, ik heb wel wat anders aan mijn hoofd, zoals u. Epifanië, de heidenen maken hun opwachting bij de Heer.

Maar het is geen tonen, het is doen lichten. Het werkwoord lichten. Een kostelijk woord, waar ik wel een streep,onder mag zetten, want daar zit het woord lichten in, zoals u dat vindt in Genesis 1: En God noemde het licht DAG. En het woordje licht, drie letters, daar hebben ze het woordje lichten van gemaakt. Licht afgeven. Dan moet u niet direct aan fluoresceren denken, het is meer, dan moet u bij Genesis 1 blijven. Hij noemde het licht dag. Dus als God licht van Hem doet uitgaan, dan is Hij bezig zich met die dagen te encanailleren, om zich te bemoeien met, de dagen, Hij noemde het licht: dag.

We hebben eens gezegd toen we het hier over hadden: Als je je bewust bent van Gods presentie, dan gaat het jou dagen. Vandaar dat het woord dagen, de dag, altijd in zich heeft de straling van Gods interesse naar mij toe. Het straalt gewoon van Hem af naar mij toe en Hij noemde het licht: dag. En de dag is dan de tijd die mij gegeven is en dat vertaal je dan met datum. En in die gegeven tijd daar straalt Hij zijn interesse naar mij toe. Waar haal je dat vandaan, dat woord interesse? Nou, van het woord aangezicht. Want aangezicht zit het woord wenden, in omkeren. Hij wendt zich naar mij toe. Hij doet zijn aangezicht lichten, de Here, naar u toe en is u genadig.

Het is heel belangrijk om dat te onderstrepen, eigenlijke betekenis van genadig zijn is, zich buigen, daar zit neigen in, dus genegen zijn. Genadig zijn, daar heb ik altijd een beetje moeite mee, dan weet ik niet wat ik er bij denken moet, maar als iemand mij genegen is, dan zeg ik, o ja, nou ben ik thuis, nou begrijp ik het weer…. Dat zit dus in die tweede bede, doet lichten en dat Hij je genadig is. Maar, Hyronimus zat daar in 400 na Christus die bijbel te vertalen in het Latijn en toen was hij bij Numeri gekomen en dan moet hij vertalen over dat lichten van dat aangezicht. Hij heeft het vertaald met tonen. Dat het aangezicht licht geeft was hem bekend, lichten. Hij had in Exodus ook vertaald en in Exodus komt ook iets voor van licht geven en daar was hij over gestruikeld, dat vond hij zo raar, het is de scène waarbij Mozes met de verbondstekenen van de berg afkomt en dan straalt zijn gelaat. Daar zat hij mee, wat moet je nu aan met dat stralend gezicht? Exodus 34, 29: Mozes wist niet dat de huid van zijn gelaat straalde, doordat hij met de Here gesproken had. Dus er gaat van de Here God iets uit en hij, als tussenpersoon, draagt dat verder. En dan komt dat zo bij Hyronimus op zijn schrijftafel en dan leest hij van dat licht geven. Dat vond raar, want wat stond er in ‘t Hebreeuws? Er stond, ik lees van linke naar rechts, er stond een k r n, dat is een lichtgever. En toen heeft hij zich vergaloppeerd. Hij heeft het vertaald met het woord hoorn. Mozes kwam van de berg met horentjes op zijn hoofd. En als u nu het beeld gaat bekijken van Mozes van Michelangelo in Rome, dan ziet u dat Mozes daar staat met horentjes op zijn hoofd. Een taalfout. U ziet het. ‘Ach, dat is toch niet erg?’ Nou, we zitten al eeuwen met een verkeerde Mozes in Rome, met een knobbel links en rechts, en niet zo’n kleintje ook hoor.

Mozes doet een doek voor zijn gelaat, omdat het licht zo maar verstrooid wordt, hij probeert het te behouden. Misschien is het u bekend, maar dat moet u toch wel weten, dit gedeelte van die doek, die Mozes voor zijn gelaat doet om dat licht niet kwalijk te verstrooien, dat hebt u bij 2 Corinthe 3, 12, daar staat: dat wij geheel anders zijn dan Mozes, die een bedekking voor zijn gelaat deed, opdat de kinderen Israëls geen blik zouden slaan van het einde van hetgeen moest verdwijnen. Maar hun gedachten werden verhard, want tot heden toe blijft deze bedekking over de voorlezing van het oude verbond zonder weggenomen te worden, omdat het slechts in Christus verdwijnt. Dus daar zegt Paulus, dat zijn volk heeft nog steeds een sluier voor, een bedekking voor en die wordt alleen maar weggenomen wanneer je het Hart van God zelf durft te gaan zien en dat zal dan Jezus zijn. Daar hebt u die bedekking weer. De bedekking omdat er zoveel straling vanuit gaat. Hij zal u genadig zijn. Dat is heel vaak verbonden niet ongerechtigheden. In psalm 90 vindt u b.v.: Hij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden, daar hebt u het, in het licht van uw aanschijn. Dus dat licht van het aanschijn heeft toch ook iets te maken (een zaklantaarn om de dingen bij te lichten) dat de dingen goed gaan. Vandaar dat die ongerechtigheden hier verbonden worden met het licht van het aanschijn. Daar komen ze nu terecht. Gr.N.: u maakt openbaar wat we in het geheim misdeden en Willibrord: wat we wilden verbergen. Dus het verborgene wordt in verband gebracht met het licht van het aanschijn en daar is Hij ons genegen.

De derde, 26: Hij verheft, de Here, zijn aangezicht naar u en zet neer voor u vrede. Dat ‘voor u’ is niet het Franse devant, voor van plaats, maar pour, voor jou. Dus, Hij verheft de Here zijn aangezicht naar u, en zet neer, bedoeld voor u, vrede. De Vulgaat die heeft wenden, naar toe wenden. Ik heb het nagekeken en het is hetzelfde woord, dat is namelijk in die scène van de verloochening waar Petrus zegt: ik ken Hem niet en dan leest u bij Lucas: En de Heer zich omwendende keek Petrus aan. En dit woord staat nou hier. Van inhoud is het heel goed begrepen, want dat is in wezen ook, dat Hij zijn aangezicht optilt, het is niet ter controle, maar Hij keert zich om, om het contact te maken. Er staat dus opheffen, maar u vindt een pendant bij de verloocheninsgeschiedenis, en de Heer zich omkerende zag Petrus aan. Dat staat in het Grieks ook zo, de Heer wendde zich om en zag Petrus aan.

Eén van de meest bijzondere teksten uit de lijdensgeschiedenis. Ik kan mij herinneren, dat ik in 1945 in ‘t najaar, toen had ik een functie gekregen om te werken bij een kinderdienst, en lach niet, om harmonium te spelen, voor als de kinderen zongen. En ik ben alle verhalen vergeten, maar één verhaal weet ik nog steeds. Ze vertelde van die verloochening van Petrus: en drie keer zei hij: ik ken Hem niet. En weet je wat Jezus toen deed? Hij draaide zich om en keek Petrus aan. En je weet best wel als je iets verkeerds gedaan hebt en mamma zit aan tafel, dan kan ze je zo aankijken, en je weet wat dat betekent als mamma dat doet: ‘heb ik het niet gezegd, krijg ik gelijk, ik ben niet gek, maar zo’n smeerlap ben jij’. Ik hoor het de juffrouw nog zeggen.

Maar dat is het evangelie niet. Het evangelie is, waar jij afhaakt, daar maakt Hij opnieuw het contact. En dat zit in het woord aangezicht. Het woord aangezicht in het Hebreeuws daar zit het werkwoord in van naartoe wenden. Niet ter controle, maar van opluchting, een hand uitsteken, om er bij te zijn. De Heer verheft zijn aangezicht naar u en zet neer voor u vrede.

Vraag: Ik zit met dat woord verheffen, dat roept geen beeld op, hoe komen ze daaraan, staat dat in de grondtekst? Ja, dus optillen, ja het roept wel het beeld op. Het is als je binnen komt lopen, ik zou zeggen, je komt als kind binnenlopen, dat praat even makkelijker. Je komt als kind binnenlopen en die vader of die moeder zit aan tafel. En je eerste reactie is, dat je dacht, dat je alleen was in het huis, niet ten pleziere, maar je maakte je ongerust. O, gelukkig, ze is er. Er gaat van dat aangezicht wat uit. Alleen maar aanwezigheid zou je kunnen zeggen. En dan zit ze voorover en is maar bezig en jij staat daar maar. En dan tilt ze haar gezicht op en dan kijkt ze je aan. Het is het aankijken waarop opnieuw contact gemaakt wordt. Dat is verheffen. Het is gebogen zitten en er gaat wat van uit, want Hij is er, maar nu tilt Hij het op en o….h.

Nou, dat gaat u horen, want de climax nadert, en nu zult u horen wat er van dat aangezicht afstraalt. Dat stralen weet u, want ze was in de kamer, gelukkig, ze is er, maar nu gaat het verder, de climax komt nu, namelijk, wat staat er letterlijk: Hij tilt zijn aangezicht op, bedoelt voor u en Hij zet neer (dat is ook zo mooi, dat neerzetten, daar zit iets positiefs in; neerzetten, niet geven).

Gr.N.: Moge de Here over u waken en u geluk en vrede schenken. Toch is het de moeite waard om te zien, dat ook de Joodse commentaren hier in gevecht met elkaar zijn, want je moet het positief zien: de Here verheft zijn aangezicht. Maar als u hier in de Bentincklaan, en trouwens bij Donner, die twee delen van de tora van Dasberg,aan leest u daar in ‘t Hebreeuws: de Eeuwige zal zijn blik op u gericht houden en u vrede schenken. Het is toch positiever dan ik dacht. Hij zal u vrede schenken in de zin van daar kun je van op aan.

Dat opheffen en die toewending, en die zal in de sjaloom zijn climax vinden. De pendant van dat opheffen, dat is in Genesis 4, 5, de pendant van het gelaat opheffen. Gen.4,5: Kaïn zijn gelaat verviel. Er staat gewoon, zijn aangezicht viel op de grond. Nou toen was hij nergens meer en niemand had meer wat aan hem. Als je aangezicht valt, dan heeft niemand meer wat aan je. Maar bij de Here God niet,nee, Hij verheft zijn aangezicht en dan wordt het spannend, wat gaat Hij doen. Nou, je hebt al iets gehoord over die genade en dan…….. Het is het opheffen en dan met spanning kijken hoe je nu reageert. Dus niet armen over elkaar (Jezus tegenover Petrus, zoals de juffrouw zei) maar met spanning kijken of jij daar nou wat mee doet, met dat kijken.

Even vertellen, dat vind ik toch heel bijzonder, dat Hyronimus voor aangezicht twee woorden heeft. Het woord aangezicht komt twee keer voor. Het eerste woord voor aangezicht kent u allemaal Hij doet lichten, de Heer, zijn facies en voor het tweede heeft hij genomen woord, nou ik kan er in ‘t Nederlands niks voor vinden. Misschien het werkwoord dat er in zit, dat zou kunnen. Dit is het, vultus.

Facies, leuk hè, dat is alleen de voorkant, aanwezigheid, maar je bent er wel blij over dat mamma er is, alleen aanwezig zijn, maar blij ben je wel, dat is genadig zijn. Dan kom je bij ze en dan vertaalt Hyronimus het woord ponum met vultus. Wat is dat voor een woord? Het is het zelfstandig naamwoord afgeleid van het werkwoord willen. Is dat niet mooi. ‘Hij deed dat, hij ging naar de tandarts, maar nolens volens, hij wou niet en hij wou wel, volens willend. Willen, dat woord zit hierin. Vultus is dus het aangezicht waar je het willen op ziet, de uitdrukking van iemand.

Vers 25, was je hartstikke blij, dat mamma thuis was? Nou, dat is fijn hoor, dan is ze je wel genegen, ze is niet weggelopen. Veel moeders lopen weg, maar jouw moeder is er nog, ze is je wel genegen, vers 25. En vers 26 is: O…h, en dan tilt ze haar gelaat op en dan zie je wat er in haar omgaat. Dat willen. Wat er in haar wil omgaat. En dan positief, want het gaat naar die sjaloom toe. Dat straalt zo op je af.

Dus niet: de Here verheffe zijn aangezicht over u, maar Hij tilt zijn aangezicht naar u op en zet neer voor u, gericht voor u,vrede. Dat zet Hij neer, sjaloom. Sjaloom , dacht ik, dat je dat het beste kon vertalen met het woord gaafheid. Sjaloom, vrede is dus niet, dat de kanonnen zwijgen, en geen doden vallen op het slagveld, maar er kan genoeg rotzooi zijn. Maar sjaloom is, dat de zaak gaaf is. En wil u het nog meer onthouden, dan moet u denken aan de uitdrukking, wat je aan iemand geeft, wat een gave kan zijn. Geven, kan vergif zijn, vergeven. Maar je wil je graag iets geven, dan wordt het een gave en dat is sjaloom. Sjaloom is, wat je iemand cadeau zou willen doen. En dan ga ik wel uit van een goede relatie. Niet van, nou ja, daar in de kelder bij Jungerhans hebben ze nog een aanbieding. Nee, gewoon wat gaaf is.

Je hebt talloze voorbeelden in de bijbel van het gebruik van het woord sjaloom, maar één wil ik noemen, dat is Genesis 37, 14, daar zegt vader Jacob tegen Jozef: Ga eens naar je broers kijken. Ga toch en doe onderzoek naar de sjaloom van uw broeders en naar de sjaloom van de schapen. De sjaloom heeft niet te maken alleen maar met de vredesweek, maar ook dat die schapen het zo goed doen. Wol en schapenkaas,mmmm.

Sjaloom, de welstand van uw broeders heeft de bijbel. De Septuagint heeft dat niet, dat had je verwacht, ga kijken naar de irene van je broers en de irene van de schapen. Nee, hoor, dat vonden ze zo gek in Alexandrië en ze hebben het werkwoord, dat de knecht in de gelijkenis zegt tegen de oudste zoon; uw broer is hygiënisch teruggekomen. Hygiënisch staat er, hij had geen blaren en geen schurft, ook geen aids. Zo. En dat heeft de Septuagint ook. Ga, zie of uw broers en de schapen hygiënisch zijn en dat vertaal je met gezond zijn.

Het zevende woord en daar loopt de zegen in uit, in de sjaloom. De sjaloom die om ons heen gezet wordt en waar de Here God, zoals dat in die zegen gezegd wordt, mee bezig is. Dat hebt u bij dat bewaken gehoord. We komen er dadelijk op terug. Zo zullen ze mijn naam op de Israëlieten leggen en Ik zal hen zegenen. Jammer, daar gaan ze weer de fout in, want u hebt het goed, u hebt staan: ZO. De Friesche bijbel: As. Nee, niet als, maar ZO. Willibrord ook: als zij zo mijn naam….Niet als, dan komen de priesters en die hebben er geen zin in, ben je gek, niet als. ZO. Dit moet gebeuren, u moet weten waar je aan toe bent.

Hier ben jij aan toe, dat Hij vecht met de Leviathan en dat Hij zo jou genadig is, en dat Hij zo zijn aangezicht optilt en dat je zien kan wat voor goede dingen er in Hem omgaan, omdat jij er bent.

Dasberg, de Joodse vertaling heeft de clou gezien. In het Hebreeuws staat het woordje IK voluit. Dat heeft het Grieks ook, het Latijn ook, het woordje ik, ego. Voluit, dan moet het een klemtoon hebben. Jezus heeft nooit gezegd: ik ben de goede Herder, Jezus heeft gezegd: IK ben de goede Herder. Er zijn een heleboel goede herders, maar IK ben pas de goede Herder. Daar ligt de klemtoon op.

En hier ook, vindt u dat niet mooi: Zo zullen ze mijn naam op de Israëlieten leggen en IK zal hen zegenen. Dasberg heeft: Zij zullen mijn naam over de kinderen Israëls uitspreken, maar IK ben het, die ze zal zegenen; het ligt uiteindelijk aan Mij, daar kun je van op aan. IK ben het die ze zal zegenen. De Franse vertaling van Chouraqui heeft het heel goed: Je les benig moi-mème.

Vindt u dat niet schitterend. Ik zegenen. Je zou bijna zeggen: IKKE (heel hard). Maar dan zeggen de mensen: hij schreeuwde weer zo, in een kerkdienst moet het rustig, het moet religieus toegaan.

Vraag: Bij de Septuagint is mij opgevallen, wat u nu noemt IK, dan staat er Ik de Here, Hij heeft Kurios staan. Mijn vraag is dat vers 27 niet in de Septuagint voorkomt,maar dat hebben ze gekoppeld aan 23.

Ja, ze hebben het omgegooid en 27 hebben ze vooraan gezet. Ze dachten, dat het makkelijker liep al je 27 bij 23 zet. Ze dachten dan komt die herhaling. Dat heb je meer dan zetten ze het bij elkaar, zoals met postzegels, dubbele, die ene kan je wel schrappen Maar dat is het, dat hebben we al gehad, dus schrappen maar.

Maar het gaat er om, dat deze drie regels als een klokgelui klinken over je heen, ook al wil je het niet horen, dat het begint met zegenen en het eindigt met zegenen en daar tussenin zit de aanzegging van de hele historie tussen God en u, dat het gaat naar de sjaloom.

Nu ik dit gezegd heb, nu moet ik het zeggen. Ik moet drie dingen zeggen over die climax, over dat gave, die gave existentie, dat gave bestaan, in de zin van een zekerheid waar jij in leeft. De bedoeling van de zegen is, dat je zo geëlektriseerd wordt, zo geladen, dat je mee gaat doen. Geladen worden. Niet in de zin van hoop en niet in de zin van een wens, maar met een feit. Drie dingen.

Jesaja 32, 8: Mijn volk, zegt de Here,zal in een verblijf van vrede wonen, in veilige woningen, in oorden van ongestoorde rust, zelfs wanneer het hagelt,zodat het woud terneder stort en de stad in de diepte neerzinkt, mijn volk zal in een verblijf van vrede wonen. Verblijf is te zacht. Hebreeuws: het is een weideplaats in de woestijn, oase. En als u het woordje oase in het Hebreeuws vertaalt dan krijgt u de naam; Neve-sjaloom. Oase van vrede – neve – sjaloom. Zo heet de synagoge in Instanbul met die mensen die……

Dan pak je het Joodse weekblad van 29 mei 1942 en daar is een kleine meditatie over de zegen te vinden: Zij leggen mijn naam op de kinderen Israëls en IK zegen hen. Onze wijzen zeggen: Hoe weten wij dat, dat Israël niet moet zeggen: onze zegen hangt af van de priester, en de priesters niet moeten zeggen: Wij zijn het die Israël zegenen. Hoe weten we dat? Omdat de tora zegt: IK. IK ZEGEN HEN. En daarmee loop je de synagoge weer uit, om het weer opnieuw te gaan wagen.

Volgende leerhuis 28 oktober 1986 over Lucas 8, 26 – 39 ‘Legio’.

Leave a Reply