De Verzoeking in de woestijn (leerhuis)

Leerhuis 22 april 1986 Mattheüs 4,1-11 en Lucas 4,1-13 ‘De verzoeking in de woestijn’

De verzoeking in de woestijn, zoals het staat geannonceerd, wat gek is dat, want het is maar één stukje van het verhaal, want daarna gaat het naar buiten toe en heeft het met de woestijn niks meer te maken.

Een bijzondere aardige uitgave van het Mattheüsevangelie, daar hebt u vier vertalingen naast elkaar en voor degene die er iets meer van kunnen weten is de eerste kolom het Grieks. Het Grieks, de Staten Vertaling, de Nieuwe Vertaling, de Willibrord en de Groot Nieuws Voor U vertaling. Daar kan ook nog verschil in zitten, in GrN, dat zult u wel merken. Het verschil tussen 1972 en 1983, toen heeft GrN zoveel boze brieven gekregen, en toen hebben ze de zaak een beetje bijgesteld. We zullen straks de verschillen zien. Dus kennelijk is het niet zo makkelijk om populair te vertalen. Deze uitgave van Mattheus is van de Katholieke Bijbelstichting en van het Nederlands Bijbelgenootschap. En is er ook één van Marcus, maar dan zonder Grieks en ik dacht dat de Efeze-brief daar bij zit.

Eerst lezen: Mattheus 4, 1 – 11.
De plek van zo’n verhaal. Hij staat hier na de doop van Jezus, dat ziet u in ‘t slot van hoofdstuk 3 en er staat boven: de doop van Jezus en dan krijg je dat verzoekingverhaal. Het verhaal van die verzoeking komt alleen nog een keer voor bij Lucas, met een paar afwijkingen. Alleen Lucas heeft het ook na de doop, maar Lucas heeft tussen de doop en die verzoeking in de woestijn, heeft hij een ander stuk er tussen, namelijk het geslachtsregister. En ik weet niet, of u dat bekend is, maar het geslachtsregister van Lucas staat op zijn kop. Bij Mattheus begint het geslachtsregister bij Abraham en zo naar Jezus toe en het geslachtsregister van Lucas is precies andersom. Dat begint erg aardig: Jezus was toen Hij optrad,ongeveer dertig jaar en dan komt- heel vreemd, maar goed vertaald – een zoon, naar men meende van Jozef (er was toen al gedonder over). Het begint dus bij Jezus en dan eindigt hij (en ik denk dat dát meer om het lijf heeft, dan alleen maar een leukigheidje van Lucas, om het familie album helemaal op zijn kop te zetten), het eindigt met: de zoon van Seth, de zoon van Adam, de zoon van God. Adam is het woord mens en dan hoort u al de verbanden klinken: Adam de zoon van God, de mens is sterk behorende bij God, en dan even later gaat Lucas vertellen over iemand die Jezus uitdaagt en zegt: Als jij nou inderdaad bij God hoort…enz., doe dan dit of dat. De doop bij Lucas is maar heel kort.
We kijken even naar de doop bij Mattheus. Dat hebben we nodig, want ik denk als je de doop er niet bij doet, dat dan de hele zaak in de lucht hangt.

Want wat is de zin van die verzoeking in de woestijn? En ik denk dat een stukje ervan duidelijk wordt in dat doopverhaal. Mattheus 3,14: En Johannes trachtte Hem daarvan terug te houden en zeide: ik heb nodig om door U gedoopt te worden, komt U dan tot mij? Jezus antwoordde en zeide: Laat Mij thans geworden, want aldus betaamt het ons aller gerechtigheid te vervullen.

Dat is een ongelofelijk belangrijke uitspraak en die is behoorlijk tussen de wielen geraakt in diverse bijbels. Het is een geladen zin. Dat laat Mij thans geworden is natuurlijk ook geen goede vertaling. Het is het werkwoord loslaten. Alle vertalingen hebben iets anders. SV: laat nu af. NV: laat Mij thans geworden. Willibrord: Laat nu maar, GrN: doe het nu maar. Het wordt steeds oubolliger. Anne de Vries: stil nu maar. En u moet weten, dat het de gebiedende wijs is. Ongelofelijk scherp, ik zou bijna zeggen: weg die poten. Dat is het. Het is de gebiedende wijs van wat je in ‘t Frans zou noemen de passé défini, het Grieks kende ook zo’n verleden tijd, die je ook kunt gebruiken bij de imperatief, gebiedende wijs, maar dan als blikseminslag. U weet, het Onze Vader staat in de blikseminslagvorm. Dat zou je niet zeggen als je het hoort murmelen. Daarom doe ik het ook nooit. Het is nooit de bedoeling geweest, dat je het murmelt. Het is namelijk een blikseminslag-gebed. Heb eens het lef om dat te bidden. Blikseminslag, met je vuist op tafel slaan en tegen God brullen: Geef brood. Op dat moment krijg je een kleur en denk je……..nou, het mag wel een beet je rustiger hè. Geef ik u wel brood? Wat dat betreft is Jezus daar een bijzondere psychiater, die weet hoe hij z’n mannetjes en vrouwtjes moet aanpakken.

Laat nu af, dat staat dus in deze gebiedende wijs. De Leidse Vertaling: verhinder Mij niet. Dat zou aardig zijn, de Leidse vertaling. van 1910: verhinder Mij niet.

Er gaat iets heel spannends gebeuren. De doop van Jezus is de aanduiding van de solidariteit van God met de mensen. En als iemand daar een stokje voor steekt, dan komt er in de hemel een ontploffing, want er is maar één opzet bij de Here God, namelijk om solidair te zijn met zijn schepselen. En wie Hem daar vanaf wil houden, dan barst Hij los. Verhinder Mij niet! Waarom? Aldus betaamt het ons gerechtigheid te vervullen.

Betamen is goed, het past, het is passend, namelijk passend bij Mij, zegt Jezus, en wat past nou bij Hem? Er staat ons, hé, kijk nou es, zou God er ook mee te maken hebben? Jawel. Het ons, en u hoort dadelijk, dat er twee zijn, want dan gaat de hemel open en dan komt er een stem. Want aldus past het ons alle gerechtigheid te vervullen. Boeiend, dat het ‘ons’ niet twee is, daar die Zoon en daar die stem in de hemel: maar ook die Geest daalt neer. U weet, de drie-eenheid is niks anders dan de poging om uit te drukken, voor de gemeente, dat er bewogenheid in de Here God is, een meervoud in God. Laat ons mensen maken. En hier ook, ons, en dan is er sprake van drie, er is bewogenheid in God.

Het betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Nu zitten we bij het hart. Alle gerechtigheid te vervullen. Gerechtigheid vervullen, dat is goed vertaald. Wat staat er nu werkelijk: Laat nu af! Zo is het passend aan ons om te vullen, niet vervullen, daar ga ik altijd tegen te keer. Het werkwoord vervullen komt in de ganse bijbel niet voor, het gaat om vullen, vol maken, alle gerechtigheid. Als u dat verschil tussen vullen en vervullen te vaag vindt, dan moet u kiezen voor: inhoud-geven-aan. Bij vervullen kun je het verlanglijstje weggooien en bij vullen, staat alles nog recht overeind. Vullen: inhoud-geven-aan.

En wat is gerechtigheid? Dan zullen we naar het Oude Testament moeten kijken. Wat dat betreft zit heel dit verhaal vastgeketend aan het Oude Testament. Wat is gerechtigheid? Dat is, dat jij doet wat jou te doen staat, wat jou van Godswege te doen staat. En wat staat iemand te doen? Ik zeg het heel voorzichtig, want dat is gevaarlijk: namelijk te beantwoorden aan je programmering. En je programmering zit in je naam. Als jij Petrus heet, dan moet jij ook te vertrouwen zijn, dan moet er op jou gebouwd kunnen worden, de rotsman, Petrus, Petra, Pierre. Als jij Johannes bent, dan moet ik aan jou kunnen merken, dat God genadig is. Zo moet ik aan Jezus merken, dat Hij gerechtigheid vult, dat wil zeggen, dat Hij doet wat wat zijn naam zegt en zijn naam zegt, en er is maar één vertaling juist en dat is niet God redt, maar God bevrijdt. De stam van het werkwoord is ruimte maken om te leven. Je, is God, dan wordt het dus: God maakt ruimte om te leven. Dus niet wat Robert Long zegt: Jezus redt, Jezus redt, alle mensen ongelet. Ik dacht waarom heb je nou die vertaling genomen van de christenen, want het is helemaal niet waar, Jezus redt, maar hij eindigt dan ook gelukkig, maar wel aangrijpend, redt Jezus, redt Jezus uit de goot. Nou inderdaad als jij zegt God redt, dan zit Jezus wel in de goot.

Het verschil tussen redden en ruimte geven is nogal sterk. Redden is, dat ik gered ben aan de kant gezet en ik kan weer weghollen, maar in de ruimte gezet worden, en denk aan het woord ruimte zoals het resoneert in het Oude Testament, dat heeft direct te maken met leefbaarheid, ruimte maken voor elkaar, voor jezelf. Dat is het woord gerechtigheid, beantwoorden aan je opdracht, die je van Godswege hebt en dat is je naam.

De Willibrord heeft, en dan snap je er niks meer van, die heeft: het past ons (dat is goed), maar dan: zo past het ons, al wat is vastgesteld te volbrengen. Gr. N. heeft: Doe het nu maar, want we moeten alles doen zoals God het heeft beschikt. Dat was de druk van 1972. Gr.N. van 1983 heeft: we moeten alles doen wat God van ons wil. In zekere zin ja, Anne de Vries: we moeten alles doen wat God heeft vastgesteld. En de Leidse vertaling: zo past het ons alle plichten te vervullen.

Ik denk dat de beste vertaling is, dat je de woorden serieus neemt en dan maar krukkig voor onze trommelvliezen, maar krukkig laten staan,alle gerechtigheid te vullen.

Vers 16: terstond nadat Hij gedoopt was, steeg Hij op uit het water, kwam Hij op uit het water. Dat moet u vasthouden, want straks gaat die beweging door, heel bijzonder. Hij komt uit het water en Hij gaat omhoog. Dan gaan die hemelen open en dan gaat de Geest van God neerdalen als een duif. We gaan niet verder op die duif in nu. En dan hoor je een stem uit de hemel en die zegt: Deze is mijn Zoon, de geliefde in wien Ik mijn welbehagen heb. Als je nou met alle geweld zakken wil op je examen, dan moet je vertalen met Deze. Er staat niet Deze, mijn geliefde Zoon. Er staat: DIE DAAR. DIE DAAR, DIE BIJ JULLIE. DIE DAAR, is mijn geliefde Zoon. Waarbij je dan ineens die solidariteit hoort. Niet: Die bij Mij zit, nee, Die daar, bij jullie daar. Dat zou een mooie kersttekst zijn. Die daar, bij jullie daar, dat is mijn geliefde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen heb. In ‘t Grieks: waar Ik mijn eudokia in heb. Eudokia is, dat je een goede gedachte over iemand hebt, een goeie mening, dat kan gewoon niet kapot, wat ze ook over je zeggen, hij kletst maar raak, maar ik zie het toch anders, nee, ga nou maar weg, want ik heb in haar een eudokia. een goede mening.

Zo heeft God dat van de mensen, de mensen waar Hij een eudokia in heeft en u ziet het, wat God de Vader heeft in de Zoon. Nou zeg ik vader en zoon en dan wordt het weer direct CDA, het gezin voorop, de H. familie, vader zoon en Maria enz.. Dat is het niet. Een van de meest bijzondere dingen van het woord zoon is, dat het geen genealogische betekenis heeft, geen geslachtskunde, geen stamboombetekenis, maar dat het aanduidt een relatie,
een relatie, wat je het beste kunt vergelijken met het werkwoord kennen. Kennen, bekennen geslachtelijk contact, kennen, bekennen. Dat zelfde is het woord zoon ook, een intense relatie hebben met. Dat is het woord zoon. Dus als Jezus de Zoon van God is, dan gaat het niet over het zoontje, maar over de intense relatie met. Zo’n intense relatie, dat als je Hem bezig ziet, zie je de Here God bezig. Het schuift in elkaar. Er is moeilijk een grens aan te duiden. Je moet je van dat genealogische verre houden, want dan ga. je weer catechisatievragen krijgen, van Jezus hangt aan het kruis en hoe moet je dat nou zien. Als je dan de genealogische kant uit gaat dan kom je verkeerd. Het heeft te maken met een ontworteling in God zelf, omdat Hij zo solidair is met de mensen.

Dat is het woordje zoon, Hij is solidair. Dat is zijn gerechtigheid, dat zie je in die doop en zijn naam geeft het al aan, Hij moet door die solidariteit, ruimte maken voor de mensen. En dan gaat het beginnen: Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel.

Er is één Hollandse vertaling die het goed heeft. Het is helemaal niet waar, dat Jezus geleid werd door de Geest. Het werkwoord leiden is fout. De SV heeft het ook fout,die zegt: Jezus werd door de Geest weggeleid. NV: geleid. De Leidse vertaling heeft het goed. En dat is zo aardig: Hij stijgt op uit de Jordaan, dan krijgt u dat geluid, van die daar bij jullie en dat onderstreept nou mijn solidariteit met jullie, en steeg op uit het water, en dan gaat het verhaal verder, de hoofdstukindeling is pas na het jaar duizend gekomen. Toen werd Jezus door de Geest OMHOOG geleid naar de woestijn.

Dus, je zou zeggen, uit het solidariteitsgebied, Hij dompelt zich ook in de Jordaan, waar al die mensen ook hun vuil hebben gestort, hij komt uit dat solidariteitswater, en nu gaat het omhoog. Omhoog, ik denk dat Mattheus dat bewust gedaan heeft, want het gaat om hoog bij Mattheus. Mattheüs eindigt zijn evangelie met de discipelen in de hoogte te laten zijn: de elf discipelen gingen naar de berg waar Jezus hun ontboden had. Dan ziet u steeds die opgaande beweging, van het gaat excelsior, ergens naar een hoogtepunt.

Je hebt twee verzoekingsverhalen, van Mattheus en van Lucas. Je zou dat van Marcus ook kunnen noemen, maar het is maar één tekst, Marcus 1,12: Terstond dreef de Geest Hem uit naar de woestijn en Hij werd in de woestijn 40 dagen verzocht door de satan en Hij was bij de wilde dieren en de engelen dienden Hem.

Mattheus zegt: Hij werd omhoog geleid door de Geest, naar de woestijn, om verzocht te worden door de duivel. De woestijn is in de bijbel altijd weer de aanduiding van de plaats van de doortocht, van de tocht naar het beloofde land. De Joden zijn daar op hun tocht 40 jaar. Jezus is hier 40 dagen en 40 nachten vertelt Mattheüs. Lucas heeft alleen maar 40 dagen. Daar kan je dan nog eens over nadenken, als je een slapeloze nacht hebt, dat Mattheus zegt, Hij was niet alleen 40 dagen, maar ook 40 nachten in de woestijn. U weet 40 is heel lang.

Wat zijn nou 40 dagen vasten in de woestijn, in het donker. Nou, daar heb je een heel stuk van je leven voor nodig om in te voelen, wat hier nou gezegd wordt. Geen stap verder kunnen, vastgelopen zijn, zo helemaal op jezelf geworpen zijn, zo knel zijn komen te zitten, in de woestijn, in de nacht en dan 40, ongelofelijk lang. Hij heeft gevast. Het is nooit duidelijk in de bijbel waar dat vasten precies voor is. Jezus is er niet zo erg voor om het de mensen op te leggen, maar hier doet Hij het zelf wel.

Ik denk, dat het te maken heeft met de honger van de Joden in de woestijn. Want u ziet nu een parallel verschijnen. Je hebt de Jordaan-doop en daarnaast heb je de Schelfzee-doop, Schelfzee-doortocht. Je hebt de woestijn daar en je hebt de woestijn in dit verhaal Je hebt de 40 jaren tocht daar en de 40 dagen en nachten hier. Je hebt de honger. Denk aan het manna in de woestijn. Zo krijg je allerlei parallellen. En wat het Joodse volk daar nu overkomen is, dat wordt geconcentreerd in die Ene, die dan zegt: Zo ben Ik dan solidair met jullie.

Dat vasten. Een merkwaardig woord in het Latijn. In ‘t Latijn is het vasten een ieiuno ieiuno, daar mag je ook een j van maken jejuno. Als je dat woordje nu weg doet en b.v. het Franse woordje déjeuner, déjeuner, dan ga je weer eten. Je hebt een hele tijd gevast en dan ben je er wel aan toe. Dat werkwoord wordt in de Vulgaat gebruikt. In ‘t Engels heb je dat ook, dan wordt het vasten gebroken ‘s morgens. Dat hoor je breken, dat vasten, dan heet het breakfast.

Vers 45: om door de duivel verzocht te worden. Dat woord verzoeken, ik ben er niet zo gelukkig mee. Ik zou liever het woord nemen, zoals het in de grondtekst staat, het werkwoord proberen, beproeven. Ik zag vanmiddag nog een Engelse vertaling, die zegt, dat de duivel naar Jezus toekomt om Hem te testen.

Ik kwam er maar niet uit, dan komt er iemand naar Jezus toe en die lokt Hem uit de tent. En dan doet Hij het niet, Hij maakt niet van stenen broden. Kunt u zich voorstellen, als je dat verhaal niet verder openmaakt, hoe je dan helemaal klem zit, om het voor het voetlicht te brengen. Wat zegt je dat nou? Nou, dat weet ik dan weer;-Hij wilde van stenen geen broden maken. Wat doet mij dat nou? Niks.

Ik denk, dat het heel wat anders is, maar daar moeten we naar toe groeien, ik zowel als u. Er komt iemand naar Jezus toe en die gaat Hem uitproberen, testen, of die solidariteit wel klopt. En dan zult u zien, dat voortdurend die solidariteit aangevallen wordt.

Wie is dat? De duivel, staat hier. Er komen drie benamingen voor de duivel voor, vers 1, de duivel, vers 3, de verzoeker en vers 10, de satan. De eerste is de diable, de diabolos, de uit-elkaar-smijter, vers 3 is de probeerder, de tester en 10 is dan de satana, de satan, en daar komen we op terug.

Wat wordt er nu getest? Er wordt getest of Hij werkelijk alle gerechtigheid vervult. Want moet u eens opletten, in vers 17 van het vorige hoofdstuk: zie een stem uit de hemel en zeide: Deze is mijn Zoon in wie Ik mijn welbehagen heb. Daar wordt die solidariteit nog eens onderstreept.

Zo gaat het goed hoor. En als dat geklonken heeft, namelijk, dat de Here God zegt, zo gaat het goed, die solidariteit, die moeten de mensen nou es door krijgen, die gaan we nu tonen, dan zegt Mattheus in zijn woordkeus, vers 1, woord 1: Toen. En dat is een heel bepaald woord bij Mattheus. We zouden zeggen, je zou er een groot accent op zetten een rode streep, TOEN, op dat moment, toen uit de hemel klonk van wij zullen solidair met ze zijn. O ja, zegt er één, TOEN zei hij, dat moet ik eens zien. Ik denk, als je het over de duivel hebt,over de tester en de satan, de tegenstander, dat je dan niet praat (in dit gedeelte althans) niet praat over iemand buiten uzelf, maar we hebben het over u.

Iemand zegt: een binnenpraatje. ‘Ja, wat zegt u?’ Een gesprek, dat van binnen gevoerd wordt.’Ja, zo is het’, en als je dat niet door hebt, ik heb er tijden mee gezeten, hoe je in godsnaam dit verhaal moet actualiseren. Het zal mij een zorg zijn, als iemand tegen Jezus zegt: toveren. Nou, dat deed Hij niet. Wat zegt me dat nou.

Ik kan me herinneren, dat ik eens gedacht heb, moet je dan de tekst niet gebruiken van de Hebreeënbrief, van Hij is in alle verzoekingen verzocht geworden, uitgenomen de zonde. Nou, dan weet ik dan ook weer. Als je dat drie keer gaat zeggen, dan loopt de kerk wel leeg en komt ie niet meer vol. Dat zegt toch niks, dat is gewoon een slag in de lucht.

Maar het wordt wel aangrijpend dichtbij gebracht, als u ziet (nou goed, waar zit de grens tussen psychologiseren en theologiseren, ja dat weet ik ook niet, maar hier hebben we het over de psyche van de mens, want als ik hoor dat de Here God solidair met mij is en ik lees de krant en ik zie het journaal en ik zie mijn eigen leven voor mij, dan zeg ik, dan krijg ik dat binnenpraatje. Geen binnenpretje nog, maar wel een binnenpraatje. Dan zijn we meteen van dat theatrale af, van, als Gij de Zoon van God zijt. Nee, het is gewoon wat Hij zelf voelt.

Er klopt geen moer van, dat is het, er klopt absoluut geen moer van. Met Bonhoeffer is eigenlijk die grote draai gekomen in de theologie. Voor Bonhoeffer hadden we nooit verder gekeken, wat betreft het woord almacht en na Bonhoeffer ontdekten we dat het hele woord almacht in de bijbel niet voorkomt. Ja, dan krijg je een optater; ik heb altijd gedacht, dat God almachtig was.

Dominee Buskus heeft geprobeerd, hij was een man van zijn tijd, die heeft geprobeerd dat woord almachtig na Bonhoeffer, nog een beetje te redden, dat hij schreef over het woord almachtig en toen zei hij: God is niet almachtig in de zin van een tovenaar. Maar er staat in de geloofsbelijdenis: ik geloof in God de Vdaer de almachtige. Hij is almachtig in zijn vaderzijn.

Maar ik geloof dat je het niet durft te zeggen. Zeg het nu eens hardop, dat het woord almachtig niet in de bijbel voor komt. Het staat er niet in, wel in de vertaling, maar niet in de grondtekst. Ik heb eens een dominee horen zeggen: Hij is almachtig in zijn liefde. Ja, zo lust ik er meer.
Waarom zeg ik dat? Omdat u bij het woord almacht nooit denkt aan almachtige liefde, maar altijd aan kracht. Dan moet je het ook zeggen tegen de gemeente en dan moet je de geloofsbelijdenis niet lezen.

Vraag: Wat is de Joodse inhoud van dat woord? Het is nooit toveren. Rasji, één van de meeste prominente rabbijnse uitleggers van 1100. Rasji heeft de kleur er aan gegeven, door te verwijzen naar het begrip sjad – moederborst – voldoende. Wat je Paulus hoort zeggen: mijn genade is u voldoende. God de almachtige en dan staat er in het Hebreeuws Ik ben God – El Sjaddai. Het is inderdaad God met de twee borsten, sjaddaim. Als een woord op ai eindigt, dan is vaak de m er afgevallen. Als een woord op aim eindigt, dan heb je er altijd twee. Jeruzalaim – twee. El-Sjaddaim, het is God die voedt, uitermate vrouwelijk. Natuurlijk is God een vrouw, allicht, daar moet je het wel van hebben.

Hij is El-Sjaddai, daar moet je het wel van hebben. Die kleur heeft het ook in de Joodse gebeden en echt niet van het toveren.

Ik zou bijna willen zeggen, maar dan heel zachtjes: zowel u als ik wisten dat eigenlijk wel. want zo hebben gebeden ook geklonken in de gaskamers. Dat toveren zullen de christenen dan gedacht hebben, terwijl zij veel meer onderstreept hebben, zelf in deze diepte…..

Nu hoort u toch het evangelie komen. Daarom zit die grens tussen Oude en Nieuwe Testament zo ontzettend moeilijk. Dat zij in de diepte waarachtig nog zeiden: Daar is Hij nog te prijzen. Onbegrijpelijk – omdat Hij ons voldoende is.

Vers 3. Wat wordt er dan gezegd? Wat wij zeggen, dan moet er wel brood voor allemaal zijn, als God alles kan, dan had Hij wel brood kunnen maken. Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dan dat deze stenen broden worden. Even zeggen: Indien Gij Gods Zoon zijt, sluit merkwaardiger wijze aan bij vers 17 van hoofdstuk 3: Deze is mijn Zoon, de geliefde. En dan sluit dat stemmetje bij ons aan: Ha, ha, als jij dan de Zoon bent, als je er dan zo bij hoort, nou, ga dan eens brood maken. Hoort u wel, dat sluit daarop aan, op de doop. Daarom hebben we die doop met elkaar nog eens bekeken, want die is ontzettend belangrijk voor de verzoeking. Nu wordt er getest of werkelijk die solidariteit geen fabeltje is.

Met diverse andere uitleggers ben ik van mening, dat je wel in die woestijn moet blijven staan. Je hebt nu allerlei parallellen gehad. Jordaan met de Schelfzee, 40 dagen met de 40 jaren, de woestijn zelf. En hier die stenen. Ik kies zeker voor om er aan te denken, die stenen die daar neergelegd zijn in de Jordaan. Daar liggen stenen tot op deze huidige dag, zegt het verhaal van Jozua. Is het u bekend? Dan trekken ze door de Jordaan heen, Jozua 4. Ze trekken er doorheen en de ark laten ze staan als teken van het verbond van die solidariteit, midden in dat boze water. Twaalf stenen in het midden, als teken: daar zijn wij doorgetrokken. En dan heel aardig, dan ook nog twaalf stenen op de wal, de onderstreping van het droge. U weet hoe belangrijk het droge is, daar kan je staan hè. En die twaalf stenen op het droge corresponderen met de twaalf van de doortocht door de Jordaan.

Die stenen, dat zijn namelijk de doortochtstenen. Een mens komt er doorheen. Waarachtig met het dagboek van Arme Frank nog voor je, een mens komt er doorheen. Er is een doorbraak in de wand van de mislukking, de wand van de dood, daar is een doorbraak gekomen, Pasen, en dan krijg je de doortochtsverhalen.

En de duivel zegt: die doortochtstenen zijn een gedenkteken, een memoriaal, een memorandum, van je komt er doorheen, En weet je wat je doen moet? Opeten, eet die doortochtstenen nou es op, eet dat gedenkteken op.
En daar zou je lang over na kunnen denken, wat gebeurt er als het monument wordt opgegeten, de herinnering weg is waar je het wel van moet hebben, Er is iets gebeurd in de tijd, wat nu geldigheid heeft en dat is de hele verkondiging.

Het mysterieuze van de verkondiging is, dat wat daar gebeurd is, heel ver achter u, gelijktijdige waarde heeft. Dat wil zeggen als ik hier sta (in de kerk op de preekstoel) dan houd ik geen monoloog, maar er gebeurt iets. Ja, daar moet je voor gaan zitten, het komt niet zomaar naar je toe, heel lang ligt het achter je.

………….door het levend maken van die woorden, geschiedt het wonder van de gelijktijdigheid. Dat is de verkondiging.

Eh daarom kunnen een heleboel katholieken in een protestantse dienst zitten, dat is helemaal niet erg, want ze zeggen maar wat. Maar brood en wijn, dat is geladen. Ik denk dat Luther en Calvijn het wel beter begrepen hebben. Niet de sacramenten zijn geladen, maar het woord is geladen. En het woord wil een karretje zijn, zei van Ruler, waarop het evangelie door de wereld rijdt, dwars door de kerkmuren heen naar de mensen, die daar binnen zitten, die daar buiten zitten. Het is het wonder van de gelijktijdigheid.

Nou, dat hebben we gemerkt, want we voelden ons aangesproken, toen we zeiden: Die duivel is niet iemand daar, maar het is dat binnenpraatje, wat in wezen nog geen binnenpretje geworden is.

Dan zegt Jezus: Niet van brood zal een mens alleen leven, maar van alle woord dat uit de mond Gods uitgaat. Dat vindt u in Deuteronomium 8, en u krijgt steeds verwijzingen van Jezus naar het vijfde boek van de tora.
Deuteronomium zegt: Hij gaf u manna te eten, om u te doen weten dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat de mond des Heren uitgaat. En dat woordje van, vindt u dat niet aardig. Het is niet het woordje van, het is het woordje OP.

Om te doen weten, dat een mens niet alleen op brood leeft. Op brood. Nou, op het woord, dat uit de mond des Heren uitgaat. Dat is jouw bodem, daar moet je het van hebben, daar kun je op staan. OP. Dus niet leven van, nee, staan op. Dat woord wordt hier gebruikt.

Nou, dat kom je in Deuteronomium nogal eens tegen, dat het niet alleen om brood gaat. Want brood alleen is, als ik nou maar vitaal blijf, dat is brood. Terwijl in de bijbel brood is juist om een mens in de ruimte te doen stellen. Niet allereerst, hoeveel zemelen zitten daar nou in enz. Het is het voedsel waardoor een mens in de ruimte gezet wordt en dan wat voor de ander kan zijn. En dan komt het woord des Heren dat uit zijn mond uitgaat ter sprake.
Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad.

Vraag: Is het belangrijk, dat deze stenen broden worden. Lucas heeft steen. Ja, inderdaad heel belangrijk, want het gaat inderdaad om die doortochtstenen in het meervoud. Lucas heeft enkelvoud, steen – brood. Mattheus heeft het helemaal aangedrukt tegen die doortochtstenen aan. U vindt datzelfde verschijnsel bij Mattheus, bij de spijzigingsverhalen. Dan is Mattheus degene die zegt in zijn tweede spijzigingsverhaal: Hoe komen wij in de woestijn aan zoveel broden, om de menigte te verzadigen, 15, 33, het tweede spijzigingsverhaal en dan is er sprake van die uitroep, hoe komen we aan zoveel broden. Een typische Mattheus opmerking, het gaat om het meervoud, het gaat er inderdaad om, dat Hij er zal zijn, Jezus, tot verzadiging van allen. En het is heel merkwaardig ook, dat dát meervoud broden, bij dat spijzigingsverhaal dan ook staat in het tweede spijzigingsverhaal.
Het aardige van die twee spijzigingsverhalen is, dat het eerste spijzigingsverhaal in Israël plaats vindt en het tweede er buiten. Het eerste in Israël en dan gaat Jezus naar buiten, en dan worden er ook andere getallen gebruikt, het getal van de volheid, alle volkeren en dan vindt u het woord broden, meervoud, als het gaat om, Hij is er te verzadiging van allen.

PAUZE

Twee keer komt het in dit gedeelte voor, in vers 3 en in vers 6, dat er door die aantijger wordt gezegd: Indien Gij Gods Zoon zijt. Ik wil er op wijzen, dat u dat aan ‘t eind van het Mattheusevangelie daar vindt, dat Jezus aan het kruis hangt: Indien Gij de Zoon van God zijt kom dan af van het kruis.

Eigenlijk zou je kunnen zeggen: Mattheus laat horen, dat het van begin tot het eind wordt aangevochten; is het Immanuël nu een feit, of worden we er tussen genomen en is het alleen maar vroom bedrog.

Ik zie dat we zo veel dingen niet gezegd hebben, maar je kunt ook niet alles doen. Wat Jezus doet is voortdurend antwoorden met een Schriftwoord.

Er is geschreven geworden, dat is een typische Mattheus-vorm. Trouwens dat ziet u meer bij de Joden, dat de naam van God niet gebruikt wordt, maar dan wordt de passieve vorm gebruikt. Je zou kunnen zeggen: God heeft gezegd: Maar hier wordt dan de Godsnaam vermeden en dan staat er: er staat geschreven geworden. Drie maal klemt Jezus zich vast aan een geschreven woord.

Kijk, nu wordt die woestijn losgelaten. Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en hij stelde Hem op de rand van het dak van de tempel.

Vraag: Die Geest is er niet meer en nu staat er duivel. Ja, u hebt gelijk, die Geest geeft de ruimte, die geeft de aanzet daartoe en nu komen er geluiden op Hem af vanuit ons. Die Geest komt nu niet voor. Maar die zou ik er wel bij willen betrekken en het begrip woestijn niet. We gaan een heel ander gedeelte op, maar de Geest hoort er wel bij. De Geest maakt het mogelijk om te zien wie Jezus nu is, in dat conflict tussen ons en Hem, die maakt het duidelijk. Wat dat betreft zou je dat regeltje, toen werd Jezus geleid, omhoog in de woestijn, ook kunnen weergeven, met zo heeft de Geest het ons nu duidelijk gemaakt: Hij werd omhoog naar de woestijn geleid (Hij wordt omhoog geleid, dat zullen we dadelijk zien, en de eerste plek is dan de woestijn en de tweede plek is de tempel en de derde plek is een berg).

Toen nam de duivel Hem mee. Dan kijk je er wel van op, als je hoort wat daar staat. Toen nam de duivel Hem mee. Het is het werkwoord meenemen, dat één bladzij terug twee keer geklonken heeft, dan ziet u Mattheus 2, 41: Jozef stond op en nam in de nacht het kind en zijn moeder en week uit naar Egypte en daar bleef hij tot de dood van Herodes.

Dus wanneer Herodes aan het dreigen is, dan staat Jozef op en neemt (dat is het werkwoord hier), en neemt het kind en zijn moeder. Er staat het voorzetsel bij. Dus hij neemt bij zich. Hij zei tegen Maria: je moet niet zo bang zijn, kom maar, hij doet de arm er omheen. Dat mag u best zo horen. Het woord arm staat er niet bij, dat zit wel in het werkwoord Jezus en de kinderen, Hij omarmde hen, dan zit het woord elleboog er in. Dat zit hier niet in, hier is het bij zich nemen. En dat vindt u in 2, 21 weer, dan is Herodes gestorven en dan komt die engel en die zegt, sta op, tegen Jozef, neem het kind en zijn moeder uit Egypte en ga naar het land Israël, want Herodes is dood. En dan lees je vers 21: Hij stond en hij nam het kind en zijn moeder. Dat bij zich nemen zo, alleen het is zo gel dat je dat in de vertaling niet hoort.

Wat doet de duivel dus hier? Hij slaat zijn arm om Jezus. Hij gaat vriendschappelijk doen. Je zou kunnen zeggen: wij zijn zoete broodjes aan het bakken en we willen wel eens weten hoe het in elkaar zit. En zou die dat nou kunnen: zomaar de diepte in gaan.

Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en stelde Hem op het dak van de tempel. De SV heeft de tinne des tempels. De kanttekening: een leuning of balie om het platte dak des tempels, om te verhinderen dat iemand er lichtelijk zou afvallen. Dat staat in Deuteronomium 22, 8, als je een huis bouwt met een plat dak, dan moet je daar wel een leuning op maken. Bouwvoorschriften, in de bijbel.

Tinne, ik weet niet wat dat is. Het woord zelf is al geheimzinnig genoeg. Het is het woord vleugel als verkleinwoord. Dus de duivel neemt Hem mee naar de heilige stad en deed Hem staan op het vleugeltje van de tempel. Waarom nou een vleugeltje? Als het nu werkelijk gaat om onze reactie op die solidariteit van God, waarom dan vleugeltje?

Ik denk dat je heel eventjes door moet lezen, want dan zie je de associatie wel naar voren komen. Er staat het woord vleugeltje. De tempel heeft een vleugel en de tempel is de uitbeelding van de presentie van God. Die tempel heeft geen rand maar een vleugel.

Volgens de diabolos, de uit-elkaar-smijter, degene die er geen bliksem van gelooft, die zegt een vleugeltje, het stelt eigenlijk niks voor. En u zult dadelijk horen, dat die verbinding terecht is met iets, die vleugel en die presentie van God.

Want kijkt u nu wat er gaat gebeuren. Vers 6: Indien Gij Gods Zoon zijt werp uzelf dan naar beneden; er staat immers geschreven: aan zijn engelen zal Hij opdracht geven aangaande U en op de handen zullen zij U dragen, opdat Gij uw voet niet aan een steen stoot. Psalm 91, 11 en 12 en die doet het hem nou. Die psalm komt nogal eens voor in dit gedeelte. Dat zit in dat achterhoofd van Mattheus en dat laat hem niet los.

Psalm 91 begint: Wie in de schuilplaats des allerhoogste is gezeten, vernacht in de schaduw des almachtige. Daar komt in voor: Hij zal aangaande u zijn engelen gebieden, dat zij U behoeden op al uw wegen en op de handen zullen zij u dragen.

Even iets vergeten . Vers 3: Hij is het die u redt van de schrik des vogelvangers. Vers 4: Met zijn vlerken beschermt Hij u, onder zijn vleugels vindt gij een toevlucht.

O, is dat het, komt het daar vandaan? Ja, daar kun je het mee associëren, daar heeft deze componist het mee geassocieerd, met psalm 91. Daar komt die vleugel van God in voor Dan krijgt het gebouw vleugels, want het gebouw, de tempel is de presentie van God. Die de presentie aanduidt, daar staat Hij, daar is Hij.

Vleugeltje, zegt de duivel. De Septuagint, de Griekse vertaling. van het Oude Testament heeft duidelijk ook hetzelfde woord, maar dan geen verkleiningsuitgang, gewoon vleugel, onder zijn vleugels. Zo moeten de bijbelwoorden klinken, dat is bijbellezen. We moeten het blijven zeggen: Bijbellezen is dus niet chronologisch verhalen achter elkaar lezen, maar bijbellezen is dat je een verhaal leest en zegt: wat klinkt er nou in de glazen kast mee als ik op mijn snaar deze ene toon aanstrijk, wat klinkt er nou mee. Het is de resonantie die het doet. Maar dat wist u allang natuurlijk. Het gaat helemaal om resoneren; waar resoneren de verhalen mee met één bepaalde tekst.

Als je het hebt over die vleugel en onder zijn vleugels vindt gij een toevlucht, en laat je nou maar vallen, dat komt natuurlijk ook naar voren. Deuteronomium 32, 11,waar je hoort dat de Here God voorgesteld wordt als een arend die zijn vleugels uitspreidt onder (u hoort het, daar komt die associatie met die handen) zijn vleugels uitbreidt onder zijn jongen.

Nou, zegt die diabolos, die duivel, doe dat nou maar, want Hij zal wel zijn handen uitbreiden. Die vleugels zijn nu handen geworden. Als u kijkt in psalm 91 staat dat er wel van die handen. Buber heeft het niet weergegeven, daar heb ik van staan te kijken, want het aardige is, vind ik, dat Hij zal u aangaande zijn engelen gebieden, dat zij u behoeden op al uw wegen, op de handen zullen zij u dragen, en dan staat er een dubbeltal. Dan wordt het woord hand gebruikt in die tweetalmeervoud en dan staat er niet het woord jad, dat is grijpen, maar dan staat er het woord kav, en kav is die letter , die beschuttende letter, die holle hand. En dan staat dit in het tweetalmeervoud. Dus op beide handen zullen ze u dragen. Leuk is dat, dan kunnen ze ook niks anders meer doen, ze hebben hun handen vol aan je.

Nou, zo kun je leven en sterven, als God de handen aan je vol heeft, beide handen. Dualis, een meervoud van twee. Kav, de holle hand en Hij heeft de handen aan je vol. Zijn beide handen. Kan Hij niets anders doen? Nee, Hij is alleen maar solidair, Hij kan niet wat anders doen dan zijn beide handen onder je zetten. Hij is Immanuël – God met ons en je hoort het in die woorden en u begrijpt dat ik opkeek toen ik zag, dat Buber heeft, op handen zullen ze u dragen, het is op beide handen. Ze hebben hun handen er aan vol en ze hebben geen gelegenheid iets anders te doen.

De functie van die engelen,dat hebben we al eens meer gezegd, dat zijn boodschappers Engelen geven aan de bewegelijkheid van God. Je zou kunnen zeggen: de Jood heeft altijd geprobeerd om de heiligheid van God zo veel mogelijk te bewaren, maar hoe moet je nou zeggen dat Hij bewogen is, dat Hij beweegt, dat Hij niet star is, niet van beton is. Nou, dan ga je wat uitvinden, dan zeg je: Nou, Hij heeft engelen, dan beweegt Hij.

En dan krijg je inderdaad de moeilijke vraag van zijn ze er nou ja of nee. Ja, zijn ze er nou? Ze zijn er wel natuurlijk. Natuurlijk zijn er engelen, want die zijn de bewogenheid van God. Ja maar, kun je ze ook fotograferen? Nou, dat niet Ja, dat is het bijbelse denken. Wij zeggen: je bent een schat (een schat bewaar je in een kluis) Ben je dan een schat? Nee, maar je bent wel een schat. Ja, wat ben ik nou? Een schat, dat zei ik toch. Nou!

Hoort u wel, je kan het niet fotograferen, dat zij een schat is, maar ze is het toch. Dat citaat moet je wel goed bekijken: aan zijn engelen zal Hij opdracht geven, aangaande u, ze zullen u op de handen dragen, opdat Gij uw voet niet aan een steen stoot. Wacht u even, waar gebeurt dat? Als u psalm 91 er bij houdt, dan ziet u dat er nog een woordje bij staat en dat is er uitgelaten, namelijk: op al uw wegen, en behoeden op al uw wegen. Juist die vaart, dat voortgaan met jou, dat meereizen, dat is er uit gelaten.

Er staat ook geschreven: Gij zult de Heer uw God niet verzoeken, je hoeft de Here God niet uit te testen en dat komt ook weer uit Deuteronomium uit 6, 16: …….. Je hoeft God niet te proberen of Hij betrouwbaar is en daarmee springt Jezus niet. Je kunt het nog feller zeggen: Jezus springt niet, omdat Hij nog niet het menselijke leven doorleeft heeft. De dieptesprong komt natuurlijk straks, dat is de kruisiging, dan inderdaad, dan suist Hij naar beneden. Dan zegt Calvijn, dat Hij dan de hel in gaat. De bijbel spreekt daar niet over, maar u begrijpt wat de bedoeling is; dan gaat Hij werkelijk alle diepten in, dan springt Hij naar beneden.

Dat is vers 7 met het citaat van Deuteronomium 6, 16.

Vers 8: Wederom nam de duivel Hem mee en weer dat woord (vind u dat nu ook zo’n afschuwelijk woord, zo’n vies woord, dat van de armen om Hem heen slaan. U voelt gewoon dat warme handje). Maar ik ben het, ik zou wel eens willen weten of Hij werkelijk alles voor mij over heeft. Dat is het. Dat is het en weer is het mijn eigen stemmetje die een plaats krijgt in vers 8.

Vers 9: Hij nam Hem mee naar een zeer hoge berg en toonde Hem al de koninkrijken der wereld en heerlijkheid enz. Het woord berg bij Mattheus komt nogal eens voor. We hebben het een jaar of elf geleden het al eens beteken en toen hebben we gezegd over het woord berg bij Mattheus, een mooie zin: de topografie is theologisch bedoeld. Dat wil zeggen: De beschrijving van de plaatsen is theologie en geen aardrijkskunde, als het gaat over een berg. Wij denken dat het te maken heeft met Mattheus Jood zijn, hij denkt aan de Sinaï, hij denkt aan het verbond, de berg Horeb. Je hebt de bergrede en Jezus ging de berg op om te bidden, Hij ging de berg op en de scharen kwamen bij Hem, de kreupelen, lammen, blinden. Daar moet u over nadenken, hoe zit dat? Met onze ingezonken trottoirtjes voor de invalidenwagentjes. Jezus gaat de berg op. De berg der verheerlijking, met Jacobus, Petrus en Johannes en de berg van zijn heerschappij, van zijn hemelvaart.

Zeer hoge berg, dat wordt zeer dik onderstreept, zeer hoog. Lucas heeft heel wat anders en dan ziet u, het is geen filmisch verslag van een aanwijsbare gebeurtenis, het is wat de evangelist weergeeft op een onnavolgbare wijze, hoe het tussen de mensen en zijn God kan gaan, kan toegaan. Lucas: Hij voerde Hem op een hoogte. Dat staat er niet, maar hij voerde Hem omhoog. Prof. v.d. Bergh van Eysinga, hij is al overleden, hij zegt: En omhoog voerende in de lucht.

Ik denk dat het de beschrijving is van het omhoog gaan, van een visioen (laatst zei ik tegen u: Hé, wat zit jij in hogere sferen, kom nu weer met je benen op de grond). Een visioen. Een teken dat het een omschrijving is van een visioen. Visionair, gewoon mijmeren, mediteren over, alles vergeten; hoe zou God nou voor mij zijn. Lucas zegt omhoog voeren, dat van in de lucht verzint v.d. Berg er bij, maar dat omhoog voeren is goed.

En Lucas zegt: hij toonde Hem al de koninkrijken der wereld, en, dat heeft Lucas alleen: In één ogenblik tijd. De Latijnse bijbel: in een moment van de tijd. Het woord moment is een stukje beweging, een stukje bewegende tijd, het is zo voorbij. Vroeger hadden we er een ouderwetse uitdrukking voor: in een punt des tijds. In een flits. Zo ineens zie je het en is ‘t weer weg. Mattheus doet dat niet, die zegt: hoge berg en toonde Hem al de koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid. Ik vind dit aangrijpender dan van Lucas. Kijk, dat is het, dat zeg ik ook wel eens, dat God naar al de koninkrijken der wereld maar dan wel en naar hun heerlijkheid. Latijn: en hun gloria. Ik schrok er van, zoals Mattheüs koninkrijken der wereld ineens verbindt met het woord heerlijkheid. Dat denk ik elk jaar met vakantie en dat staat ook op die ansicht: color – kleur, je kijkt wel tegen de mooie kant aan, maar je zal er wonen. Dat dorpje, wat leuk intiem. Ja, maar de sociale controle daar. Wij zien graag alleen maar de gloria de heerlijkheid aan de buitenkant. Ik denk dat dit het gemene is, dat wij denken, dat de Here God niet duidelijk voor mij partij kiest, b.v. voor het bestrijden van het terrorisme en niet duidelijk partij kiest voor de honger. Je kan mooie voorbeden en hele gebedsdiensten houden en je gaat het waarachtig nog geloven ook, maar je kan het niet aanwijzen.

Het lijkt wel of Hij zich alleen maar met de gloria, met de heerlijkheid bemoeit. Nou, dat zal ik geven (die honger en die rottigheid bestaat dan zeker niet) als U zich neerwerpt en mij aanbidt. De tijdsvorm is hier heel belangrijk. De tijdsvorm is het eenmalige, dus pats boem, je hoeft alleen maar één keer te knielen en dan mij aanbidden.

Toen zei Jezus tot hem: Ga weg satan en dan krijgt u weer een citaat uit Deuteronomium: de Here uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. Dat is ook het beroemde hoofdstuk, waar ook de Joodse geloofsbelijdenis in staat, van Hoor Israël de Heer uw God is één.

En nu is er sprake in 10 van de derde benaming. Eerste keer de duivel en toen de verzoeker en nu in 10 de satan. Ik denk dat het goed is om niet direct die satan buiten jezelf te plaatsen, ik denk dat het een gevoelen is die in de mensen zit. Het is het klein denken van ons over de Here God, waarbij we in de weg staan. Satan is tegenstander, tegenstand bieden. Het is merkwaardig om te zien, dat het woord satan in het Oude Testament een doodgewoon werkwoord is. Het verhaal van Bileam met dat ezeltje, dan rijdt hij naar het volk der Joden toe, want hij moet van de koning van Moab het Joodse volk vervloeken. En dan komt er een engel. En dan staat er: een engel des Heren stelde zich op de weg. En dan zegt uw bijbel: een tegenstander. SV: tegenpartij. Buber: Hinderer. Dus het is tegenstand bieden. Het is niet altijd negatief.

Bij Job is het negatief, daar komt het 14 keer voor. De tegenstander, dat is de gedachte in mij, die God zwart wil maken. Het antwoord van Jezus is uitermate fel: Ga weg satan. In het Mattheus evangelie komt dit bevel nog een keer voor, bij Petrus en dan staat er: Ga weg achter Mij satan.

Er zijn handschriften, die hebben dit er bij ingevoegd en die zeiden laten we hier ook maar zeggen achter Mij, maar dat is beslist onjuist, want als u denkt aan die Petrusaffaire. Waar gebeurde dat? Daar zegt Jezus dat Hij naar Jeruzalem zal gaan en daar zal Hij gekruisigd worden. En dan zegt Petrus: Dat zal U niet gebeuren. Hij probeert Jezus van dat lijden, van de gang naar de diepte af te houden. Dan komt in 16, 23, dat Jezus zegt: Ga weg, achter Mij satan. En dan komt in vers 24, en dan voelt u waarom het achter Mij bij Petrus wel staat, want daar staat: Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op.

Dus achter Mij slaat op volgen. Ik ga voor, dan mag jij mee, maar Ik ga wel voor. Een bijzondere situatie wordt daarmee getekend. Alleen die satan hoeft geen volgeling te zijn, daar is het alleen maar het bevel van: ga weg.

Toen liet de duivel Hem met rust. SV: Toen liet de duivel van Hem af. En dat is dat werkwoord van af, handen weg, los, wat we zopas hoorden bij de doop. Toen liet de duivel Hem los. Handen af, zo. En niet: Toen liet de duivel Hem met rust.

Los. Die gedachte zal voortdurend weer in Mattheus naar Jezus toekomen; de gedachte van de mensen, dat ze denken: Er is eigenlijk met die solidariteit van de Here God met ons niets aan de hand.

Toen liet de duivel los en zie engelen kwamen en dienden Hem. Dan ziet u in vers 3, de verzoeker kwam en datzelfde werkwoord dat wordt herhaalt in vers 11, en zie engelen kwamen. Dus eerst komt de duivel en als hij uitgewoed is en hij heeft alles er uitgegooid wat hem dwars zat (dat ben ik dat bent u dus) en zie engelen kwamen op hun beurt en dienden Hem. Dat dienen ziet u in uw bijbel twee keer staan. Vers 10, daar staat: de Here God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen en even later: de engelen kwamen en dienden Hem.

Als je de grondtekst niet hebt, dan kan je er donder op zeggen, dat de gemeente denkt: Dat is hetzelfde dan zeker. Twee keer het woord dienen. Het zijn twee totaal verschillende woorden. Dat ene dienen, de Here uw God dienen, is het aanbiddend dienen. Ik zo willen vertalen met Hem serieus nemen. De Here uw God zult gij aanbidden en Hem alleen serieus nemen, dat is het woord dienen hier. Het woord dienen in 11 is het woord dia-konie. Het dienen bij brood en bij wijn, dat er gegeten kan worden.

Als u die drie citaten bij elkaar zet, die Jezus in de mond neemt:

In het eerste citaat wordt de mens aangesproken: de mens zal leven niet alleen van brood, het gaat voortdurend om u en mij. In vers 10 weer: gij zult Hem alleen aanbidden en dienen. Dus het gaat om God en mensen.
Het gaat om de Here God, die ons trouw wil blijven, terwijl wij bezig zijn om Hem af te schrijven. De Here God wil ons trouw blijven, die solidariteit wil Hij doortrekken ook al komen wij dan met onze ons denken: ‘toen, het allereerste woord, Mattheüs 4 toen’ , dan toch blijft Hij ons trouw al zijn wij Hem ontrouw geworden.

Het allerlaatste is dan, als je de volgorde bekijkt van Mattheus en Lucas, dan ziet u een verschil. Bij Mattheüs is het eerst de woestijn, dan de tempel en dan de wereld, de kosmos staat er. Kosmos heeft Mattheüs en Lucas heeft dat andere woord, dat kent u wel, het komt ook in de kerstgeschiedenis voor. Lucas heeft oicumene, de hele bewoonde wereld laten beschrijven.

Het is een hachelijke zaak om de oecumene hier aan op te hangen, want het heeft er geen blikskater mee te maken. Als de keizer zegt, dat de oicumene moet beschreven worden, dan betekend dat niks anders dan de hele bewoonde wereld. En voor de keizer is de hele bewoonde wereld alleen maar waar Romeinen wonen, punt uit en alle anderen zijn de barbaren, omdat ze geen Latijn spraken. Ze spraken Grieks, daar begrijpen ze niks van. Dat waren de barbaren, heel anders.

Mattheüs heeft de volgorde van woestijn tempel wereld en Lucas, woestijn wereld tempel. Heel wat uitleggers denken, dat Mattheüs daar zijn evangelie begint, namelijk: Hoe vindt je die solidariteit, dat kerstfeest van God, hoe reageer je nou. Lucas laat ook de mensen aan het woord: sta je daar nou achter en vindt je dat ook zo? Mattheüs woestijn tempel wereld. En daarmee geeft Mattheüs aan het geraamte van het hele verhaal, dat gaat volgen. Lucas ook, die geeft daarmee het geraamte aan van het hele verhaal dat gaat volgen.

Mattheus: hoe het gaat over het leven van de mensen, dan gaat het inderdaad over brood met die spijzigingen en voortdurend die woestijn. Die geven de vertalingen weer met stilte en eenzaamheid. Het gaat om woestijn, en het leven van de mensen en de Here God daar in, die daar solidair in is. Dan krijgt u de tempel in de heilige stad en dan komt hij in aanraking met de tempel en de tempelbewoners en met de offers en dan wordt Hij zelf geofferd. En dan krijgt u een hemelvaartsverhaal, waarbij die wereld genoemd wordt.

Die wereld wordt genoemd, slot Mattheusevangelie, dat Jezus zegt: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Het woord macht staat er niet, er staat volmacht. Hij heeft alle volmacht gekregen, namelijk om die solidariteit te realiseren. En dat wordt dan verbonden met hemel en aarde. Mattheus eindigt met wereld.
Zie Ik ben met u tot aan de voleinding van de wereldtijd zou je kunnen zeggen.

Lucas heeft woestijn wereld tempel. Eerst weer het spijzigingsverhaal met de woestijn en het leven van de mensen, dan de wereld en tenslotte eindigt het met de tempel.

Vraag: Zou dat te maken hebben met het publiek van Lucas, want die waren de tempel wel kwijt? Ik denk, dat u gelijk hebt en dan sprak het ze ook wel meer aan.

Bij Lucas vindt u: Hij hief zijn handen omhoog, zegende hen. En zij keerden terug naar Jeruzalem met grote blijdschap en zij waren voortdurend in de tempel, lovende God. Punt. Lucasevangelie uit.

Volgende leerhuizen: 9 september en 28 oktober, 9 – 9 en 28 – 10.

Leave a Reply