Over het bedrog bij de jaarwisseling

De tiende maand van het jaar is bijna afgelopen. Het jaar loopt eigenlijk nog twee maanden verder door. Oktober was immers de achtste (‘octo’ is acht), november is dan dus de negende en december de tiende, dat kun je nog duidelijk aan hun namen horen. Dan volgen nog: januari en tenslotte februari, die vervolgens iets korter is omdat aan het eind van het jaar een correctie dient plaats te vinden in verband met het draaien om de zon. Twee dagen per jaar korter is echter een beetje teveel van het goede, dus eens in de vier jaar doen we weer er een schrikkeldag bij, en zo komen we steeds redelijk uit voordat het nieuwe jaar -op 1 maart- begint. Begón; vroeger. Want Pausen en Keizers willen zich graag onsterfelijk maken, dus die begonnen regelmatig met de kalender te knoeien en er dingen in te veranderen. Vandaar dit vreemde moment van jaarwisseling.

Wat vieren we dan in de nacht van 31 december naar 1 januari? Ik zou het niet weten! Erg magisch is het sowieso niet. Er gebeurt niet zoveel. Mensen dénken dat er heel wat aan de hand is en proberen met veel kabaal te voorkomen dat boze geesten in een kwaad ogenblik midden in de nacht het nieuwe jaar binnenglippen. Maar verder wel een leuk feest, wat mij betreft. Dat Jezus op 25 december geboren zou zijn is zeer onwaarschijnlijk. En stellig niet in het jaar nul. Ook bedrog kan leuk zijn. Voorzover er niet teveel wordt gesloopt en gereld. Er zijn er die dat het summum vinden, maar ik ben wat saai aangelegen.

Over bedrog gesproken: zo liep er ooit een man voorbij een etalage en in die etalage stond een bord: “Hier persen wij uw pantalon”. De man gaat naar binnen en vraagt aan de uitbater of zijn pantalon geperst kan worden, en zo ja wat dat kost en of hij erop kan wachten. Waarop de winkelier zegt: “Dat doen wij niet, wij persen geen pantalons. Wij verkopen alleen dat bordje, dat u in de etalage ziet staan.”

Soms wil ik het wel graag voor christenen opnemen. Maar het misverstand is dan snel dat mensen denken dat ik het over de huidige kerk heb. Of over de Roomse Kerk van eeuwen. Met machtsmisbruik en ander ongerief. Maar er was een tijd dat het opviel wat mensen deden, niet omdat ze zeiden dat ze tot het christendom behoorden, want dat bestond eigenlijk nog helemaal niet: er was geen dogmatiek, geen hoogkerkelijke liturgie en met de macht van de keizer wilde men, anders dan de latere bisschoppen, helemaal niets te maken hebben.

Wat deden zij? Als er in een landstreek van het Romeinse Rijk de pleuris uitbrak, of de pest, wat nogal eens voorkwam, dan vluchtte het overgrote deel van de bevolking. Behalve -zeg maar- christenen. Die waren niet fundamentalistisch, maakten geen onderscheid, niet orthodox, niks van dat alles. Maar: zij vluchtten niet want ze waren niet bang. Althans niet bang om besmet te raken of zelfs dood te gaan. En zij begonnen, als liefdedienst, de doden te begraven en de zieken te verzorgen. En dat werd in de toenmalige samenleving volstrekt krankjorum gevonden, maar wel wat ze hier zouden noemen “besonders nijschierrich”; ik weet daar zo gauw geen Nederlands woord voor.

De kerk is daarop het zicht helaas volstrekt kwijt geraakt en verkoopt alleen nog maar de bordjes. En huilt tranen met tuiten dat ze geen machtsfactor van belang meer is. Ik zou zeggen: Ophouden te janken. Dat deden ze vroeger, toen het jaar bij wijze van spreken nog gewoon op 1 maart begon, ook niet.

De Joodse psychiater en filosoof Viktor Frankl heeft een aantal concentratiekampen overleefd, inclusief Auschwitz. In tegenstelling tot nagenoeg zijn hele familie en zijn gezin. Later schreef hij dat hij daar iets bijzonders had gezien. De mensen in dat kamp waren namelijk volstrekt gelijkgeschakeld. Zelfde kleding; Zelfde slaapplaats, zelfde gore eten, geen naam maar een nummer getatoeëerd op dezelfde plek, dezelfde beroerde vooruitzichten. En toch, schrijft hij, reageerden mensen in dat kamp totaal verschillend. Er waren er die in staat waren hun medegevangenen te bestelen, die alleen aan zichzelf konden denken, en er waren er die hun leven wilden riskeren om een medegevangene te redden. Er waren in dat kamp twee soorten mensen. Fatsoenlijke en onfatsoenlijke.

Een paar weken geleden werd Annelies, mijn dochter, vijf euro afhandig gemaakt. Dat is via DWJM in de publiciteit gekomen. Zij heeft daarop talloze kaartjes gehad van mensen die het onbegrijpelijk en onbehoorlijk vonden. Er was zelfs een Drachtster kerstman, aan het handschrift te zien een kerstvrouw, die anoniem wil blijven, en die heeft vijf euro in een lieve kaart aan Annelies opgestuurd. Ik heb die envelop geopend en niks tegen Annelies gezegd, uiteraard..

Nee hoor, grapje! Er zijn gelukkig een groot aantal lieve en aardige mensen hier in Drachten, die heel wat voor anderen over hebben. Zij noemen zich lang niet altijd christelijk, maar dat kan mij geen fluit schelen. U hoort het goed: geen fluit. En Jezus ook niet. Misschien is dat zelfs wel béter. De kunst is te zien dat ze er zijn. En precies die linkse hobby, pardon…(!?) -precies die lévenskunst wens ik u toe in 2011.

Leave a Reply