20 februari 2011

De Brug

Ik heb donderdag twee dikke rapporten gekregen die morgenavond op de Algemene Kerkenraad ter tafel liggen. Eén is van onze eigen commissie BAC3 en de ander is van een landelijk onderzoeksinstituut KASKI en ze gaan beide over de kerk. Hoe moet het verder met de kerk van Drachten? Vooral KASKI richt zich op jongeren. Pubers.

Ik heb ze nog niet helemaal gelezen, dus ik kan u er helaas niets uit verklappen.

Nu is het zo, en dat zult u wel van mij willen aannemen, dat wanneer mensen een rapport maken en dan daarbij vooral oudere gemeenteleden op het oog hebben -en dat gebeurt al snel omdat die in de meeste gevallen zorgen voor de financiële basis, dat dan de uitkomst van zo’n beraad meestal iets is in de trant van: laten we alles maar zoveel mogelijk laten zoals het nu is.

Dat is op zich ook wel logisch. Want als je zaken overhoop haalt weet je wel zeker dat er mensen zullen verdwijnen. Die mensen namelijk die zich niet in de chaos herkennen; de chaos die altijd ontstaat wanneer je overstapt op een andere werkwijze. Je weet dus wel dat er gemeenteleden zullen verdwijnen wanneer je dingen verandert, maar je weet niet wie er verschijnen. Ja, erger, óf er wel mensen verschijnen, die de nieuwe aanpak wel zien zitten. Die kans is inderdaad nihil. Dat maakt dat elke verandering in de bestaande, al tientallen jaren gestaag krimpende kerk voor onmogelijk wordt gehouden, enkele cosmetische aanpassingen daargelaten.

Maar als je jongeren vraagt, dan zullen zij iets zeggen als: de kerk is een star, en vrijwel geheel achterhaald instituut, voor oudere mensen.

Dat is dus een probleem.

De gedachte dat jongeren de zaak, als je een kerkelijk gemeente tenminste een “zaak” kunt noemen, -de gedachte dat jongeren de zaak zullen overnemen is feitelijk luchtfietserij die nergens op gebaseerd is. De wens is de vader van die gedachte. De realiteit is namelijk een heel stuk afschrikwekkender.

Als je met jonge mensen spreekt, binnen, maar vooral buiten de gemeente (dat is namelijk ontzettend verrassend!) zullen de meesten te kennen geven geïnteresseerd te zijn in Jezus en in wat Jezus leerde en deed. Maar ze zullen ook te kennen geven niet naar de kerk te zullen komen. Dus op de vraag: heb je belangstelling voor Jezus zeggen ze: “ja”. En op de vraag: heb je belangstelling voor de kerk zeggen ze: “nee”.

Nu gaan de meeste kerkenraden met dat “nee” aan de slag, in de hoop van dat “nee” een tweede “ja” van te maken. Steeds maar weer bij jongeren erop te hameren dat ze naar de kerk zouden moeten komen. Naar een jeugddienst of naar een andere ontmoeting in één van de zalen van het kerkgebouw. Al gaan ze daar maar zitten chillen, áls ze maar naar de kerk toe komen. Maar dat dwingen en duwen en trekken dat daarbij ontstaat zorgt er in de meeste gevallen voor dat er alleen maar een tweede “nee” gaat ontstaan, namelijk óók op de vraag: heb je belangstelling voor Jezus? Dat wordt dan na al dat gedoe óók een “nee”.

Maar om dat tweede nee nu maar gewoon te laten zitten en in te gaan op dat “ja”: “ja, ik heb best belangstelling voor Jezus”… (lieve mensen, geloof me dat die belangstelling er is. Ik ben in Drachten al op zoveel seculiere plekken geweest dat ik echt wel redenen heb om te denken dat die belangstelling voor Jezus bestaat, óók in Drachten) -dus nog eens: om in te gaan op dat “ja”, is het nodig dat we… de kerk verláten en ons in de wereld begeven waarin jongeren leven.

Maar hoe is die wereld waar jonge mensen in moeten opgroeien en hun keuzen moeten maken. Hoe ziet die wereld eruit? Daar zou ik uren over kunnen spreken, maar dat voert nu te ver.

Eén ding staat vast. Die wereld is volstrekt anders dan de wereld van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Toen de babyboomers, die nu vaak de leiding hebben in de kerk, nog redelijk jong waren -in de jaren zestig van de vorige eeuw- maakten ze mee dat studenten in opstand kwamen aan de Sorbonne. In Parijs.

In opstand waartegen? Tegen alles wat vast ligt in tradities, dogma’s, patronen, hiërarchieën, de bureaucratie. Babyboomers wilden hun eigen weg zoeken. Niet langer de voorgegeven en uitgestippelde paden bewandelen.

En dat leek overigens een aantal decennia uitermate succesvol. Niet alleen zat er een definitieve lente in de lucht, met bloemen in het haar, vrede en muziek, Woodstock, vrije sex, baas in eigen buik, géén kernenergie en géén kernwapens meer. We waren op de wereld “om elkaar te hellepe nietwaar”?

Er was zelfs een sfeer van: nog een páár demonstraties en dan zijn we er. Dan zijn we van die kernwapenrotzooi af.

Dat is helaas anders uitgepakt. De cultuur, de economie, heeft hen gelokt in functies en banen die laten we zeggen boven de Balkenende-norm liggen en zij hebben geen enkel idee meer dat San Francisco nog een eeuwige lente in petto heeft. Zodat we wereldwijd kunnen zingen: “Let the Sun shine in.” Gaan we niet meer zingen…

Maar vandag de dag; ja die boot gaan we echt missen. Ik en nog een paar hippe opa’s, zoals ik, hangen misschien nog een beetje met de vingertoppen aan de reling, maar ook ik mis die boot: vandaag de dag is die wereld digitaal zó totaal veranderd, dat van een werkelijke aardverschuiving sprake is. Als ze in Egypte beginnen te demonstreren op het Tahrirplein dan weten we dat ‘dú moment’. We kunnen onmiddellijk via Twiter bijvoorbeeld contact maken met de jonge mensen op dat plein. Ik weet dat, want ik heb het zelf gedaan.

Waar er ook in de wereld iets gebeurt, via Twitter bijvoorbeeld kun je onmiddellijk contact leggen met degene die daar bij is, met degene die het betreft. Dat is een totaal andere nieuwsvoorziening die nog nooit voor mogelijk is gehouden.

Ik zal niet snel een serie diensten houden in die richting, maar u moet vanmiddag eens even nadenken over wat het betekent dat, wanneer de Messias zóu komen, zijn verschijnen in deze tijd onmiddellijk over de héle wereld bekend kan zijn. Voor het eerst kán dat. Binnen een paar seconden!

Maar dan vooral, en om te begínnen, bij jonge mensen. Het zijn nu niet meer de ouderen die de jongeren vertellen wat er aan de hand is in de wereld, maar het is voor het eerst in de geschiedenis omgekeerd: het zijn nu de jongeren die de ouderen op de hoogte brengen van wat er gebeurt, waar ook ter wereld. Je ziet de nieuwsrubriejken en de actualiteitenrubrieken met de handen in het gaar zitten en zich afvragen: hoe kan het dat wij onze reporters niet meer op tijd op die plekken kunnen krijgen? Hele rare nieuwsuitzendingen krijg je nu. Heel dom. Die hebben ergens nog een acteur kunnen vinden, weet ik het. Ze kunnen het niet meer bijhouden, de jongeren.

Wat heeft dat alleen al voor consequenties voor het lezen van die bijbelse verhalen? Dat moet u niet onderschatten!

Maar er is niet één ding veranderd, vrijwel alles is anders dan de periode van vlak na de oorlog. Om nog maar iets te noemen: In de tweede helft van de vorige eeuw was het verschil in een middelgrote of grote onderneming tussen de laagste functie, dus zeg: de medewerker in de schoonmaakdienst, en de hoogste functie: de directeur, één op twaalf. De directeur verdiende gemiddeld twaalf keer zoveel als de minstverdienende werknemer in één en hetzelfde bedrijf. Waar die werknemer een jaar voor moest werken verdiende de directeur in één maand.

Nu, in onze dagen is dat verschil -razendsnel- opgelopen tot ongeveer één op 350. Waar de laagstbetaalde werknemer in een bedrijf een jaar voor moet werken, verdient de directeur van dat bedrijf nu in één dag. Nu ja, verdienen… hij kríjgt het. Nu ja, krijgen… hij néémt het… mee naar huis.

Daar komt bij dat de huidige generatie niet alleen gebruik maakt van de voorzieningen die de vorige generatie met eigen kracht heeft opgebouwd, na de verwoestende oorlog, maar de huidige generatie verrijkt zich óók nog ten koste van de pensioenen van die vorige generatie. Die worden namelijk bevroren of zelfs verlaagd. Dat zijn totaal nieuwe verhoudingen: dat je de vorige generatie niet meer dankbaar bent voor wat ze hebben nagelaten, maar dat je ook hun pensioenvoorziening gebruikt om er zelf beter van te worden. Ik geef daar geen moreel oordeel over, maar het is in de geschiedenis wel volstrekt nieuw. En nog nooit vertoond.

Daar komt bij, en dat is minstens zo ingrijpend, dat de verschillen tussen het rijke Westen en het arme zuiden in dezelfde mate zijn uitgelopen. Ook die zijn zo’n beetje ver-dertigvoudigd.

Jezus heeft ooit gezegd dat als er gezwegen wordt over armoede en onrecht, dat dan de stenen, de rocks, zullen roepen wat er met het koninkrijk van God gegeven is. Als de kerk het niet doet, doen de rocksterren het. Popmuzikanten nemen tegenwoordig de rol van profetisch spreken over. Ook dat is helemaal nieuw.

Het landschap is totaal veranderd. In relatief korte tijd.

Laten we nu even naar dit plaatje kijken. Een vreemd landschap. Weird.

Wat u ziet is Honduras. De brug die u ziet is de brug over de Chulateka. Althans, dat was zo. Want de ongelooflijk krachtige en verwoestende orkaan Mitch die een aantal dagen vóór de kust van Honduras bleef hangen boven zee, heeft zodoende een dag of vijf grote hoeveelheden water uit zee opgenomen en regelrecht op het kustgebied van Honduras doen neerkomen. Mitch heeft daardoor de loop van de rivier zó veranderd dat de bedding geheel is verlegd. Het landschap is dramatisch gewijzigd. En wat heeft dat voor gevolgen voor de bestaande structuren in dat landschap? Als alles om je heen verandert, en jij blijft dezelfde, blijf je dan wel dezelfde die je was?

In een bepaald opzicht wel, maar in een ander opzicht niet, en daar wil ik het zo nog met u over hebben.

De foto is een jaar of tien oud. Wat u hier ziet is een betonnen constructie, gebouwd door Japanse ingenieurs, die is blijven staan, nadat de orkaan alles eromheen heeft doen veranderen. U ziet de rivier nu een eind verderop, rechts, zijn nieuwe loop hebben.

Het is nog steeds een brug. En toch weer niet. Want een brug verbiondt. Een brug verbindt twee plekken zó met elkaar dat je van de ene plek de andere kunt bereiken. Over een brug bereiken mensen elkaar.

Dit is wel bedoeld als brug, maar werkt niet meer als een brug.

De Japanse bouwonderneming is zo trots op de gebleken kracht van deze constructie, die blijkbaar de ergste storm kan weerstaan, dat deze foto ook in de folder van het bouwbedrijf is opgenomen. Het is een soort attractie, eigenlijk. Toeristen gaan ernaar kijken. Een openluchtmuseum.

Waarom laat ik u dit zien? Omdat dit naar mijn idee een beeld schetst van de situatie van de kerk. U zult misschien zeggen: zo erg is het toch niet? Maar dan vertrouwt u op de sterkte van de constructie. En natuurlijk troost ik mij daar ook mee. Wat dacht u? Daar komt later mijn pensioen vandaan. Zo triviaal werkt het toch, beste mensen? Bij mij wel hoor.

En toch denk ik dat het op dit moment evangelisch vermaan is, noem het de roepstem van Jezus, die ons toeroept: Ontwaak. Ontwaak gij die slaapt en sta op uit de dood. Wees ín de wereld.

Ik heb die rapporten snel doorgebladerd, en dat is altijd gevaarlijk. Maar dit evangelisch vermaan heb ik er niet, of beter: nog niet in gezien. De beweging is toch nog steeds naar de kerk toe. Mensen moeten naar de kerk, of wéér naar de kerk. Andersom zie ik eigenlijk niet, of te weinig. Hoewel dat jeugdrapport daar wel aanzetten toe lijkt te geven, maar ik ben heel benieuwd of bij de bespreking het niet wordt zoals altijd: de jeugd moet zich voegen in de inzichten van de volwassenen.

Het landschap om de kerk heen is totaal gewijzigd in relatief korte tijd. Alsof er een orkaan heeft huisgehouden. De kerk overleeft dat wel, dat blijkt. Maar functioneert de kerk in zo’n veranderde wereld nog wel als kerk, wérkt dat wel als die zelf zo onbeweeglijk is als de betonnen constructie daar, en ook niet in staat blijkt om zich te verplaatsen naar waar de rivier zich nu bevindt, waar het water nu stroomt…?

Ik wil u als huiswerk meegeven één enkel woordje uit het verhaal van Lukas in Handelingen 2.

Aan het slot van wat we gelezen hebben staat dit: “Ze loofden God en stonden in de gunst bij het hele volk.”

In het grieks staat er een mooi woord: charis. Ze hadden charis bij het hele volk. Er is dus nabijheid. De gemeente en het volk waren elkaar nabij. Charis, daar is ons woord ‘charme’ van afgeleid. Charmant. Een charmante gemeente. Een gemeente die iets voor dat volk betekende, dus. Maar wát?

Ik hoorde laatst een Amerikaanse voorganger, Shane Claiborne (google die naam, mensen!) -ik ken geen belangrijkere profeet heden ten dage dan hij voor me is- die in één van de armste wijken van Philadelphia woont, en hij vertelt dat naar zijn idee er veel te snel wordt gezegd dat de bijbel zo moeilijk te begrijpen valt. Als er staat dat ze alles met elkaar deelden en dat daardoor er geen armoede onder hen was dan is dat niet moeilijk te begrijpen. Wie dat toch zegt, dat het heel moeilijk is allemaal, is niet dom of vol onbegrip, maar eerder ongehoorzaam en wil dat wat er staat, in alle eenvoud, liever niet wáár hebben. Niet omdat het zo ingewikkeld is, maar omdat het ons dan zoveel kost.

Onze hele levenswijze zit ons dan danig in de weg. Inclusief die van mijzelf. Dat zeg ik er nadrukkelijk bij. Shane Claiborne zegt: als je wérkelijk geen afstand kunt doen van je I-phone dan moet je de bijl erin zetten. Nu heb ik geen I-phone gelukkig. Maar ik ben bang dat als ik zou zeggen dat ik een BlackBerry heb die ik voor geen goud wil missen…

Jezus maakt het niet ingewikkeld. Wat hij zegt is niet ondoorgrondelijk maar vreselijk ongemakkelijk. Dat is heel wat anders. En door het steeds maar ondoorgrondelijk te maken, een mysterie, proberen we het gemakkelijker te maken. Zodat geloven neerkomt op bepaalde dingen denken, of geloven, of aanvaarden, zonder dat dat gevolgen hoeft te hebben voor ons dagelijks leven.

Nogmaals, ik zeg dat niet zozeer om u lastig te vallen vanmorgen, ik merk die neiging namelijk vooral bij mezelf. Natuurlijk zou ik van nature het liefst een evangelie preken waar mensen zich aan kunnen warmen, kerkmensen die hier in de kerk zijn, dat hen troost biedt, dat uitzicht geeft, dat mensen bemoedigt. Maar in Handelingen gaat het om armoede en om de verdeling van de bezittingen ten einde de armoede te bestrijden en om het feit dat dát troost, dat er een gemeente van Christus is waarvan de leden hun leefwijze zo aanpassen dat dat troostend en bemoedigend is. Niet voor die gemeente zelf, amar vor de mensen die gebrek lijden. Voor de ármen. En zó uiteindelijk ook troostend voor de gemeenteleden zelf.

Ik denk, en daar sta ik niet alleen in, er zijn inmiddels heel wat onderzoekers die daar de vinger bij leggen, -ik denk dat we te snel het evangelie té makkelijk aan het maken zijn.

En, dat is mijn punt, dat jonge mensen vooral om die reden afhaken. En als ze niet om die reden afhaken, maar omdat half tien gewoon te vroeg is op zondagmorgen, dan is dat naar op zich, maar als ze dat wél doen om die reden, dan is dat eigenlijk verschrikkelijk. Ik hoor het jongeren zo vaak zeggen: ik zou wel bij de kerk blijven als het maar ergens over zou gaan. Dan verliezen we dus jonge mensen die nog gevoelig zijn voor de passie en de hartstocht van de bijbelse boodschap.

En die passie, die hartstocht zit voor ons vanmorgen in één woord. Koinoonia.

In vers 42 staat: En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden.

Die vier dingen, daar is alles mee gezegd. Zo is de gemeente begonnen. En als de gemeente opnieuw zou moeten beginnen, en ik denk dat dat moet, dan kan dat alleen met deze bijbelse aandachtspunten. Laten we nu maar even Handelingen 2: 42 aanhouden: het onderwijs der apostelen, de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden.

Het woord koinoonia is daar vertaalt met: gemeenschap. Maar wat is dat?

Op het eerste gezicht lijkt dat op ons woord gezelschap. Maar elkaar gezelschap houden is wat anders dan gemeenschap hebben.

En we lijken te denken dat dat de core business is waar we mensen op kunnen uitnodigen om mee te doen met de gemeente van Christus: kom erbij omdat het hier gezellig is en we het gezellig hebben met elkaar.

Nu heb ik niets tegen gezelligheid en ik wil daar graag aan bijdragen, want ik ben een gezelligheidsdier, maar koinoonia betekent niet: gezelschap. Koinoonia betekent: gemeenschap. Dat betekent dat je één wordt. Dat de afstand wordt overbrugd.

Het betekent vooral iets als: handreiking. Verderop in de bijbel vraagt Paulus aan de mensen in Rome, die over het algemeen rijk waren, want zij stonden aan de winnende kant: de Romeinen hadden Israël immers bezet en buitten het uit, vraagt hij om een collecte voor Jeruzalem. Een handreiking. En dan staat er dat woord koinoonia.

Het gaat bij dat woord koinoonia om het één worden van mensen die niet één zijn.  De gemeente is dus die brug, die brug naar de samenleving, en dan vooral op die plekken in de samenleving waar behoefte is, waar gebrek wordt geleden. En die handreiking naar hen die gevloerd zijn héét koinoonia. En in Handelingen wordt dat teweeg gebracht door af te zien van bezittingen en door te delen.

Het is niet dat wij dat niet doen, lieve mensen, wij doen dat óók. Maar zo is het precies: wij doen dat óók. Maar we vormen daarbij vooral een stormvrije zone. We hebben de kerk gemaakt tot een instituut. En dat hebben we zo goed gedaan dat, terwijl de hele samenleving om ons heen in korte tijd radicaal verandert, de kerk blijft zoals die is. Enkele cosmetische ingrepen daargelaten.

En natuurlijk doen we óók aan hulpverlening. Armenzorg, houden we collectes,

Wat ik zou willen is dat we dat niet zien als óók een activiteit, náást allerlei liturgische, dogmatische en ook veel gezellige bezigheden, en taken, maar dat we dat zien als dé activiteit. Die ons tot een gemeente maakt.

Waar dacht u dat het onderwijs van de apostelen over ging? Dacht u nu echt dat die daar de mensen leerden dat het nog 2035 jaar zou duren voordat het koninkrijk van God zou aanbreken? Dat dát de leer van de apostelen zou zijn geweest?

Welnee, we weten wel beter. Zij hebben daar in Jeruzalem onderwezen dat de Heer was opgestaan. Uit de dood. En dat je die opstanding wáár kunt laten zijn, door opstanding te dóen en dat je die opstanding kunt ontkennen door die niet te doen. En als je die niet dóet dan blijft Jezus dood. Als het lichaam van Christus niet in staat is om de bindingen met de dood, en met de samenleving die zoveel leed en honger en armoede veroorzaakt, dóór te snijden; zich daarvan lós te maken; daaruit óp te staan… dan is het lichaam van Christus een dood lichaam.

Als het enige dat mensen van de gemeente merken zou zijn, dat er op zondagmorgen een groep mensen een kerk binnengaat, om er na anderhalf uur weer uit te komen, dan is dat toch te weinig?

Dan ontbreekt de koinoonia. En avondmaal, het breken van het brood, en bidden, zónder die koinoonia is dan een slag in de lucht. En dat onderwijs van die apostelen wordt dan volstrekt onbegrijpelijk. Het hangt met elkaar samen.

Dan is er geen brug naar de behoeftigen in de samenleving. Dan verandert de wereld er niet werkelijk van. In de zin van: dat Jezus er wat in teweeg kan brengen. Jezus heeft zijn lichaam, zijn gemeente, nódig om iets uit te kunnen richten in deze wereld. Maar als dat lichaam niet verbonden is met die wereld, als de koinoonia ontbreekt, als de gemeenschap een gezelschap is geworden, dan wordt het een versteend geheel, middenin het landschap. Nagenoeg onverwoestbaar, maar ook tamelijk doelloos.

Dan wordt de gemeente een achterhaald instituut. Zegt de jeugd in het KASKI rapport. Onze jeugd. Dat zou moeten inslaan als een bom! Maar ik ben bang dat bij de behandeling ervan de ouderen gaan zeggen dat de jongeren dat nu wel denken, maar dat ze als ze eenmaal zelf volwassen zijn wel anders zullen praten.

Koinoonia is dat je je verbindt. Het is een brug. Dat je je verbindt met degenen die er beroerd voor staan. En dan niet door middel van een girootje, dat óók, maar vooral door met hen één gemeenschap te vormen.

En natuurlijk is dat dan niet een gezellig gezelschap. Dat is lastig en weerbarstig. Maar het is wel een gemeenschap.

Rick Warren twitterde gisteren: If you only love those who agree withe you, your circle of love will exclude most of the world. Als je alleen liefde kunt opbrengen voor wie net zo denkt als jij, zal jouw liefde het merendeel van de mensen op deze wereld buitensluiten.

Ik bedoel dit niet als een slecht nieuws gesprek, lieve mensen. Zolang er jongeren zijn, en die zijn er nog, zijn er ook kansen. En zolang er popgroepen zijn als U2 en mensen die profetisch durven spreken als rockzanger Bono, klinkt er ook nog ergens wel een bijbelse stem. Maar er is niet veel tijd meer.

Ik geloof met heel mijn hart dat als dit de kerk is (zie foto hierboven), dat de Heilige Geest dan, buiten ons om, elders nieuwe bruggen zal gaan slaan tussen mensen. Andere bruggen. Die niet lijken op de traditionele kerk zoals de onze, maar die voor de broodnodige verbindingen gaan zorgen. Als onze kerk het niet doet.

Want de Heilige Geest geeft niet op en wil maar één ding: dat -in Jezus Naam- mensen niet van elkaar gescheiden blijven maar elkaar opzoeken en weten te vinden in de koinoonia, de gemeenschap der heiligen.

Zo eenvoudig is het. Want de heilige Geest is als het erop aankomt een simpele ziel.

Waarbij ik het woord simpel nu eens als een geuzenterm gebruik. U snapt me wel.

Er was eens iemand die opdracht gaf om alle waardevolle overwegingen en aansporingen uit de bijbel vast te leggen en te omschrijven. Zodat ze makkelijk toegankelijk waren. Maar wat ontstond was een enorme bibliotheek waarin de mensen geen weg meer wisten. Toen gaf hij opdracht alles vast te leggen in één enkele uitgave. Maar die werd zo groot en zwaar dat die niet te hanteren bleek. Tenslotte gaf hij de gewaagde opdracht om alles samen te vatten en vast te leggen in één woord.

En dat werd het woord: liefde.

De Heilige Geest heeft één snaar op zijn viool, en daar speelt hij op. En dat is die van de liefde!

Amen.

beluisteren?

Leave a Reply