“Wie is Jezus voor jou?”

Afgelopen zondag werd ik geïnterviewd voor de plaatselijke omroep: SmelneFM. Eén van de vragen van de interviewer luidde, na een aantal andere vragen gesteld te hebben: “Zo, nu even recht-toe recht-aan: wie is Jezus voor u?”.

Die vraag heb ik eerder gehoord. Er zijn namelijk kerken die, voordat ze iemand tot predikant aannemen, deze vraag stellen. Ik voelde me altijd heel ongemakkelijk met die vraag. Het antwoord moest namelijk onmiddellijk duidelijk maken of je wel een beetje recht op de graat bent. Een antwoord dat niet de geijkte woorden bevatte als: kruisdood, verzoening, voldoening, bloed, offer, zonde en vergeving, leidde onherroepelijk tot een afwijzing.

Het voelt als op een procrustusbed gelegd worden. Een scherprechter hakt alles af wat er buiten steekt en wat er over blijft moet dan de moeite waard zijn.

Terwijl het volgens mij niet eens een beslissende vraag is. De omgekeerde vraag is naar mijn idee veel urgenter en die luidt: “Wie ben jij voor Jezus?”.

Ik kan namelijk over Jezus van alles en nog wat zeggen en beweren. Zonder dat dat enige consequentie heeft! Dat hij is opgestaan, of juist niet. Het maakt helemaal niet zoveel uit wat ik zeg. Jezus verandert namelijk niet door wat ik van hem beweer. Maar de wereld evenmin. Verplaatste lucht.

Wat ik doe is bepalend. En als ik voorbij ga aan die mensen voor wie Jezus zich inzette, met zijn hele leven, dan ontkén ik de opstanding, wát ik er ook zoal van zég.

Maar als ik me inzet voor mensen die geen stem hebben; stem geef aan rechtelozen; hulp bied aan mensen die nergens recht op kunnen doen gelden; aan de kant ga staan van hen die worden gediscrimineerd, of ze nu een hoofddoekje dragen of niet, anders vrijen dan de “geaccepteerde” heteroseksuele wijze van vrijen, oog heb voor het leed van kinderen, dan lééf ik vanuit Jezus’ opstanding. Dan bevestig ik die. Niet met woorden, maar wérkelijk.

Jezus had geen behoefte aan meelopers, maar aan volgelingen. Wie ben ik voor Jezus? Daar gaat het om. Meestal een meeloper, of niet eens dát, ben ik bang.

Ik probeer steeds opnieuw een volgeling te zijn. Of te worden.