10 september (over hemel en hel, deel 3)

Jammer dat de bijbel geen woord heeft voor: hel?

In de Psalmen staat een regel: gedenk niet aan de zonden mijner jeugd.
Als u dat even in u op wilt nemen dan kan ik u vertellen dat ik, toen ik nog jeugdig was, terecht ben gekomen, nou ja, half, een soort schampschot was het, bij de Children of God, in Rotterdam.

Een vriend van mij had me meegenomen. Hij ging er helemaal in, met vlag en wimpel, leverde zijn zakgeld in en brak met zijn familie. Als een soort mataglap.

Ik bleef veel reserves houden en daar hielden ze niet van, bij the Children of God.

Het was een beetje een kwestie van Turn or Burn… Bekeer je of brandt.

Nou, nu zitten we meteen in het hart van de zaak, nietwaar? Vorige keer over de hemel, vanmorgen de hel. Wraak, vergelding, eeuwige pijn en marteling, zoiets. Bekeer je tot God, aanvaard Jezus als je verlosser,
en alles zal goed gaan met je, maar zo niet, de bijbel is niet onduidelijk over het vreselijke lot dat je dan wacht…?!

Zonde, weigeren om je te bekeren, je hart verharden… zodra je sterft is het over en uit. De martelingen en helse pijnen beginnen dan. En stoppen niet.

Zo zit het, want zo is God?
Toch?

God is liefdevol en vol genade en vergeving, behálve als er geen sprake is van een geloofsbelijdenis, een bekeringsmoment binnen die paar jaren van één mensenleven, dan zal God namelijk onmiddellijk eeuwig gaan straffen. En eeuwig dan opgevat als: zonder ophouden, eindeloos.

Lieve mensen. Is dat wat Jezus leerde?

Om te begrijpen wat er in de bijbel aan de hand is moeten we de teksten bekijken waar we in onze vertaling het woord “hel” tegenkomen. Schrik niet, dat zijn er maar weinig.

Eerst de boeken van het Oude Testament. In het Hebreeuws is er geen woord voor hel. Er zijn wel een paar woorden die gaan over dood en graf.
Eén ervan is het woord sjeool. Dat slaat op een donkere geheimzinnige nevelige plaats waar mensen komen als ze sterven.

Zoals in Psalm 103: …de Heer die al uw ongerechtigheden vergeeft,
die al uw krankheden geneest, die uw leven verlost van de sjeool.
Meestal vertaald met groeve, of graf. Ook in Psalm 18 of Psalm 16 is zoiets aan de orde.

In het liedboek klinkt dat zo: “Met banden van de dood was ik omgeven,
dood en verderf verstikten mij het leven.” En even verderop zingt de Psalm dan: God boog zich neer, zijn hand heeft mij gevonden toen mij de waatren aan de lippen stonden. Hij is het die in liefde mij behoudt.

Dat woordje gaat gaandeweg steeds meer doorklinken in deze serie preken, moet u maar eens op letten: Liefde.

Maar goed, dan hebben we eigenlijk wel alle plaatsen gehad waar het over de diepte of de afgrond van de dood gaat. Door heel het Oude Testament heen kunnen we horen dat God macht heeft over leven en dood.

Ik ben de God van Abraham, Izak en Jakob, klinkt het dan, bijvoorbeeld tegen Mozes, hoewel die op dat moment al lang gestorven zijn,
maar blijkbaar deert dat in zoverre niet: God is nog steeds hun God.

Maar daar komt iets bij. In deze hebreeuwse teksten worden de woorden leven en dood anders gehanteerd dan wij doen. Bij ons is het óf leven, óf dood, één van de twee. In de bijbel is het genuanceerder. Daar worden leven enerzijds en dood anderzijds beschouwd als twee verschillende manieren van leven. Twee kwaliteiten. Kies dan het leven boven de dood, zegt Mozes tegen het volk, en dan bedoelt hij natuurlijk niet dat het volk eventueel ter plekke dood zal neervallen.

Leven en dood zijn aspecten van het leven, kwaliteiten. Wees blij met mij
want mijn zoon was dood en is weer levend geworden, zegt de vader van de twee zonen. Maar de verloren zoon had bij de varkens gezeten.
Dat zouden wij niet dood noemen. De bijbel wel.

Heel belangrijk is het in elk geval om te blijven beseffen dat de oorsprong van Israël gelegen is in de slavernij en de uitbuiting en het extreme geweld van Farao en van Egypte. En dat was een uiterst godsdienstige samenleving waar de Egyptenaren zich lieten begraven in enorme graftomben, vol met goud en waardevolle voorwerpen, gebaseerd op hún geloof in het leven na de dood.

Maar de Hebreeuwse slaven ondervonden dagelijks wat dat hiernamaalsgeloof voor hén, als slachtoffers, in de praktijk betékende…
En zij hebben dat dus van meet af aan beschouwd als een ernstige afwijking. Die het mensenleven van miljoenen mensen enorme schade berokkent.

Al met al moeten we bekennen dat het Oude Testament erg onduidelijk is over wat er gebeurt na de dood. Of we dat nu leuk vinden of niet.

Het heeft iets onderwereld-achtigs allemaal, maar verder lijken de schrijvers van het Oude Testament niet veel belangstelling te hebben voor details op dit punt.

Nu het Nieuwe Testament dan maar. Het woord hel wordt daar ongeveer twaalf keer gebruikt. Voor alle duidelijkheid: in de Nederlandse vertaling.
Bijna uitsluitend door Jezus zelf overigens. Het griekse woord dat met ons woord hel vertaald wordt is het het woord gehenna. Jezus doet dat in enkele uitspraken, zoals in: het is beter voor je om een lichaamsdeel te verliezen dan om met je hele lichaam in de gehenna geworpen te worden. Daarnaast komt het woord nog maar één keer voor in het Nieuwe Testament en wel bij Jacobus. Die spreekt over de tong als een vuur dat alles in brand zet en zelf steeds wordt aangestoken door het vuur van de gehenna.

“Ge”, betekent vallei en “henna” betekent hinnom. Het Hinnomdal dus, letterlijk. Dat Hinnomdal was een werkelijk bestaande vallei ten zuiden en westen van Jeruzalem. Gehenna was in de dagen van Jezus de vuilstort van de stad. Stadbewoners dumpten hun afval daar in de diepte.
Er was daar beneden een doorlopend brandend vuur, dat het afval verbrandde. Wilde dieren vochten er om etensresten. En je kon ‘s nachts
als het donker was hun knarsende tanden soms duidelijk horen. Gehenna was dus de plaats waar tandengeknars te horen was en waar het vuur niet doofde.

Er zijn daarnaast nog twee -spaarzaam voorkomende- woorden in het grieks die kunnen duiden op zoiets als de hel, althans wat wij daar dan bij geneigd zijn te denken, en dat is het woord Tartarus, dat een keer in een brief van Petrus voorkomt en uit de griekse mythologie stamt.

En daarnaast nog het woord hades, ook uit de griekse cultuur. De griekse variant van de hebreeuwse sjeool, waar we het al over hebben gehad.

Denk aan een uitspraak van Jezus over de gemeente op de rots, dat de poorten van het dodenrijk, van de hades, die gemeente niet zullen overweldigen.

Dat is het. Alles wat mensen over de hel beweren zou gebaseerd zijn op deze paar uitspraken.

Moderne mensen beschouwen de hel als iets achterhaalds. Ik snap dat. Ik zie ook niets in een bloedrood figuurtje dat onder de aardkorst met zijn drietand in de hand in het vuur platen van Pink Floyd achterstevoren zit te draaien en dan volop geniet van de obscure mededelingen die je dan moet kunnen horen.

Dus hoe moeten we denken, of juist niet natuurlijk, over zoiets als de hel?

Er zijn mensen die zeggen dat ze niet over de hel en over de zonde willen nadenken. Deze week zag ik een foto in de krant van een hulpverlener,
die een meisje, zo, in twee handen voor zich uit, naar buiten draagt, uit een gebouw waar zojuist een bom tot ontploffing was gebracht.

Een jong meisje. Donkere krulletjes. Blote billetjes. De vellen hingen erbij, rood van het bloed, kleren verbrand, op haar beentjes grote plekken waar de huid was weggesmolten en er wat afgerold bij hing.

Ik denk dat we sommige woorden gewoon nodig hebben om aan te duiden wat de verschrikkingen zijn waar mensen, en waar kinderen vooral, in terecht komen.

Zo spreekt Jezus namelijk. Hij gebruikt zulke metaforen om duidelijk te maken wat de vreselijke consequenties zijn, met name voor anderen,
als mensen hun door God geschonken goedheid laten voor wat die is
en hun menselijkheid opofferen aan hebzucht, afkeer en verbittering.

Mensen kunnen beter hun begerige oog uitrukken dan op die weg van begeerte verder gaan.

Of hun hand afrukken dan met die hand een bom tot ontploffing brengen.

Er is lijden en pijn die vragen om pijnlijke woorden. Veel geweld doet je denken aan zoiets als vuur. Er is bedrog dat jou doet denken aan vuur dat jou verteert.

Maar Jezus vertelt altijd verhalen en wijst op situaties van dood en ondergang waarbij er een lijn is van dood naar leven. Van donker naar licht. Altijd. Van geweld naar vrede. Van verbittering naar liefde. Dat is steeds de richting. Ook van zijn eigen leven, toch? Van dood naar leven. Opstanding.

Nu is het eigenaardige dat sommige mensen die erg bezig zijn met anderen die naar de hel zouden gaan ná dit leven, minder verontrust lijken te zijn door al die hellen waarin mensen op dit moment zich bevinden op aarde. Terwijl mensen die zich inspannen om leed in de wereld te verlichten zich weer minder zorgen lijken te maken over een hel ná dit leven.

Er zijn individuele situaties, die een hel kunnen vormen, voor mensen. En er zijn vormen van hel die een heel land, of zelfs werelddeel kunnen treffen. En Jezus wil dat we ze beide serieus nemen.

Eén van de belangrijkste dingen bij het avondmaal is dan ook de collecte,
die door de diaconie wordt gehouden en die voor zulke doelen bestemd is. Er is de hel hier en nu en er is zoiets als de hel, laten we zeggen: later. En Jezus wil dat we ze beide serieus nemen.

Maar die hel later, om die serieus te kúnnen nemen moeten we er nog wel een paar dingen van zeggen. We staan dus nog even stil bij die passages in de bijbel die niet een woord als: hel noemen, maar die gaan over oordeel en straf.

Allereerst moeten we dan beseffen dat Jezus in een bijzonder gewelddadige wereld leefde, het Joodse land en het Joodse volk waren voor de zoveelste keer overvallen en bezet door een militaire supermacht. In dit geval het Romeinse Rijk.

Gewapende Romeinse soldaten op elke hoek van de straat. Moet je je voorstellen. En een groot deel van het joodse volk was ervan overtuigd dat er maar één ding opzat en dat was een guerilla-oorlog beginnen
tegen de bezetter. En men heeft van Jezus wel gemeend dat hij een guerilla-leider zou worden die de leiding zou nemen in die joodse opstand. Maar Jezus ging een andere weg. De weg van liefde.
Jezus was ervan overtuigd dat geweld alleen maar méér en erger geweld teweeg zou brengen. Dat je de weg naar de vrede niet kon plaveien met de doodskoppen van je vijanden.

Iedereen die zo’n half verbrand meisje een ontploft gebouw uitgedragen ziet worden krijgt toch gevoelens van wraak en vergelding? Haar gezin heeft de aanslag niet overleefd, maar wat dacht je van haar familie?

Wie het zwaard opneemt zal door het zwaard vergaan, zegt Jezus. De Romeinen zullen je stad innemen en verwoesten, geen steen op de andere, en je zult worden verpulverd!

De tragedie van dit alles is, dat dat ook gebeurd is. In 66 ontstond die joodse opstand tóch en de Romeinen hebben uiteindelijk Jeruzalem met de grond gelijk gemaakt, platgebrand, en wreed uitgemoord.

Dus als Jezus waarschuwt voor vergelding en geweld, dan doelt hij allereerst op díe situatie. We mogen de woorden van Jezus daar niet los van maken, want dan maken we hem los van zijn geschiedenis, en van de mensen met wie hij leefde.

Maar we gaan een stap verder. Tegen wie praat Jezus eigenlijk voortdurend? Behalve een enkele keer met een romeinse bevelhebber en met een vouw bij een bron in Samaria, praat Jezus voortdurend met zeer toegewijde devote en vrome joodse mensen. Hij sprak met mensen die zichzelf beschouwden als het volk van God. Licht van de wereld. Zout der aarde. Van die dingen.

Zijn gehoor bestond uit mensen die “binnen” waren. Gelovigen, geredden, behoudenen, gepassioneerden, uitverkorenen, zeker in hun overtuiging dat ze door God waren verkozen en behouden. Mensen van het verbond.

Maar veel mensen in de huidige wereld hebben over de hel gehoord en daarvan begrepen dat die bestemd is voor hen die buiten zijn, en niet binnen. Voor hen die niet geloven, niet bij een kerk horen.

Christenen spreken nogal eens over mensen die geen christen zijn en die naar de hel gaan; waarom? Omdat ze geen christen zijn… Mensen dus die niet de juiste dingen geloven.

Maar in de verhalen van Jezus waarin hij het over de hel heeft, valt nu juist op dat of mensen de juiste dingen geloven of niet helemaal niet zo’n punt is bij hem. Hij spreekt opvallend weinig over de juiste dingen geloven maar des te meer over woede en begeerte en onverschilligheid.

Hij spreekt over het hart van mensen en bedoelt dan hoe ze zich gedragen. Hoe ze omgaan met de mensen om hen heen, over de invloed die ze hebben op de wereld. Jezus gebruikte het woord hel niet om zogenaamde heidenen ertoe te bewegen te gaan geloven. Hij sprak over de hel tot juist hele vrome gelovigen om hen te waarschuwen voor een vorm van geloof waarin en waarmee ze anderen af zouden schrijven en verdoemen. Verdoemen waardoor ze de liefde van God verdonkeremaanden.

Hel is dus wel degelijk iets van een waarschuwing, maar niet gericht aan de ongelovigen, maar allereerst aan de vromen zelf. En Jezus waarschuwde hen dat zij het beste van God, Gods liefde en vergevingsgezindheid, konden bederven met hun zelfingenomenheid en hun afschrijven en verdoemen van ánderen. Oordeelt niet. Dat is de basis.

Dat gaat ver, bij Jezus. Hij zegt bijvoorbeeld tegen hen: het zal voor de inwoners van Sodom en Gomorra makkelijker zijn in de dag des oordeels dan voor jullie vromen. Makkelijker? Voor Sodom en Gomorra?

Als nu twee groepen mensen voor eeuwig verdoemd werden geacht dan wel de inwoners van Sodom en die van Gomorra! Makkelijker voor hen? Is er dan hoop voor hen voor wie de vromen geen enkele hoop meer wilden zien?

En als er hoop is voor Sodom en Gomorra wat wil dat dan zeggen voor alle andere Sodoms en Gomorra’s?

En ik wil verder gaan. Niet alleen ten aanzien van Sodom en Gomorra zien we een ontwikkeling van veroordeling naar herstel en verzoening, van straf naar nieuw leven. Dat zien we op vele, vele plekken in de bijbel. Haast bladzij na bladzij.

In Jeremia 32 horen we God zeggen: Ik verzamel hen uit al de landen, waarheen ik hen in mijn toorn en gramschap en grote verbolgenheid verdreven heb en ik zal ze naar deze plaats terugbrengen en hen veilig doen wonen.

Wat is het punt? In Jeremia 5 klinkt het zo: “u bracht hen naar de rand van de afgrond, maar zij weigerden van die straf te léren…”

Lieve mensen, als God straft in de profetie, is het altijd met een doel. Hoezeer mensen ook geweld gebruiken en Gods liefde verkrachten, God is altijd zeker van zijn zaak, en die is dat er bekering zal komen, en herstel, en wederopbouw.

Ik zou nu, dat kan ik niet doen vanwege de tijd, maar ik zou tientallen teksten kunnen noemen waar dát de boodschap is. God, die zegt: ik zal herstellen wat kapot is gegaan. Ik zal terugbrengen uit de ballingschap, ik zal mijn liefde laten zegevieren, hoe boos zij ook gehandeld hebben. Liefde is de boodschap. Mensen thuis brengen en zich over hen verheugen.

En de profeten maken daarbij steeds duidelijk dat dit niet voorbehouden is aan een elite, aan een uitverkoren minderheid, maar dat dat de mensenwereld betreft.

Dus een verkondiging waar God vertoornd is geraakt over ontrouw, over geweld, verkrachting, moord en doodslag is goede verkondiging. Maar het vervolg daarop ontbreekt te vaak en dat is dat God het niet opgeeft en mensen niet voor altijd in de shit laat zitten. Voor God is er maar één doel, en dat is herstel. Vergeving en wederopbouw. En dat is misschien wel het belangrijkste van de hele bijbelse boodschap: dat herstel. Dat het goed komt.

Niet de dood is de boodschap van de bijbel maar het leven. Niet de haat en de afkeer, de wrok en de wraak, maar de liefde en de onophoudelijke toenadering. Mislukking is nooit het einde. Vergeving en verzoening zijn Gods doelen.

Liefde is niet zoetsappig. Gods liefde al helemaal niet. God laat niet alles over zijn kant gaan alsof het er allemaal niet toe doet. Maar God gaat voor iets anders, voor de hereniging.

Veroordeling is niet niks, maar het is nooit het laatste en zeker geen altijd durende toestand. Want, zo zegt de bijbel: God wil dat alle mensen behouden worden.

Wij zitten dan al snel met de vraag: Krijgt God wat hij wil?

Mensen zijn geneigd nee te zeggen op die vraag, vooral vrome en gelovige mensen vertonen die neiging.

God is geneigd om ja te zeggen op diezelfde vraag. We gaan het daar de volgende keer over hebben met elkaar.

En nu kunnen we -tot slot- ook een bijzonder eigenaardige opmerking van Paulus begrijpen. In zijn eerste brief aan Timotheus noemt hij Hymeneus en Alexander die hij, zo zegt hij, over heeft gegeven in de handen van Satan om te leren niet zo te vervloeken. Vreemd…

Overgegeven in de hand van Satan? Paulus levert mensen over aan Satan? Doe je zulke dingen? Kun je zulke dingen doen? Hoe doe je dat dan? Is daar een formulier voor?

In elk geval blijkt dat Paulus er vertrouwen in heeft dat dit overgeven aan Satan een goed doel dient. De bedoeling is dat ze ervan leren. Dat ze groeien. Dat het goed met ze komt. Hoort u dat? Dat het goed met ze komt.

Dat woord Satan in die brief van Paulus heeft dus in elk geval de betekenis in zich van Gods veranderende en vernieuwende en herstellende proces. Paulus maakt een dergelijke opmerking vaker. Ook in 1 Corinthe 5.

Het lijkt of Paulus wil zeggen: we hebben hen van alles en nog wat over Gods liefde op het hart gebonden maar dat wezen zij af en kozen voor de haat en de verbittering, voor het vervloeken en afschrijven van mensen; laat ze los zodat ze de consequenties van hun keuzen kunnen leren overzien.

En als we proberen goed naar de teksten te kijken dan gebeurt er ook zoiets in het verhaal van Jezus over de schapen en de bokken. Het lijkt alsof de bokken naar een plek gaan waar ze voor altijd zullen blijven. Overigens niet vanwege ongeloof, maar vanwege het feit dat ze de hongerigen en de dorstigen lieten verrekken, met vrome smoezen. “Wat zullen we nou hebben? Hebben we u niet altijd gediend?” Klagen de bokken tegen de Heer.

Maar in het grieks staat er dat ze worden gestuurd naar een “aion van kolazo”. Wat is dat, een tijdperk van kolazo? Kolazo is een term uit de land- en tuinbouw. Het betekent zoiets als: snoeien, saneren. Wat een hovenier doet om een plant weer gezond te krijgen. Inkorten en snoeien: Kolazo. De bokken worden heengezonden naar een aion van kolazo. Iets als een intense ervaring van herstel en groei, dus eigenlijk. In veel te veel bijbelvertalingen wordt dat vertaald met eeuwige straf. En mensen zijn gaan denken aan een soort van marteling die nooit meer ophoudt. Maar een onophoudelijke marteling heeft niets meer te maken met een wijnbouwer die de druivenranken snoeit en inkort om… om opnieuw vrucht teweeg te brengen.

Altijd durend, en nooit meer ophoudend, lieve mensen, dat zijn nooit categorieën van bijbelschrijvers.

Behalve als het over Gods liefde gaat, die het kwaad zal weten te overwinnen en het herstel en de wederopbouw teweeg zal brengen. Dát zal nooit meer ophouden.

Dus als we het hebben over de hel, dan is het heel belangrijk om daar geen gedachtegangen aan te plakken die de bijbel er niet bij heeft, en ook niet bedoelt.

Jezus heeft het nooit over eeuwig zoals wij over eeuwig spreken. Als we een woord nodig hebben om de consequenties van onze wandaden en van ons geweld en van onze misdaad te benoemen dan is dat er. We hebben het nodig om die vanuit de diepte van ons hart opkomende verbittering waarmee we anderen het licht in de ogen niet gunnen, aan de kaak te stellen. We moeten kunnen zeggen wat er gebeurt als we Gods liefde loslaten en kiezen voor onze eigen gramschap en ongenoegen; -als we dus Gods toenadering verzwijgen of verdonkeremanen en onze eigen afkeur en afkeer de boventoon laten voeren. Het woord hel werkt dan wel.

Laten we het dus maar blijven gebruiken. Maar dan zoals Jezus het gebruikt. Het dóel, daar gaat het om. Het doel is namelijk niet -en nooit- de hel, maar altijd weer opnieuw: volledig herstel.

Amen.

Leave a Reply