21 maart 2010

 

Het kán! (Johannes 6: 5-13)

gehouden in De Arke op 21 maart 2010

Het is wel een bijzonder jongetje. Dat daar naar voren loopt. Tussen die mensenmenigte door. Met zijn lunchpakketje: 5 broden en twee vissen.

Misschien zijn er wel meer mensen geweest onder die duizenden die iets bij zich hadden.

Dat jongetje zal wel niet de enige geweest zijn. Maar volwassenen hebben in hun leven geleerd: eerst wel even uitkijken. Ik geef niet alles weg wat ik heb, anders heb ik zelf niks.

Zo is dit kind niet. Dit kind geeft wat ‘ie heeft en is waard dat ‘ie leeft. Jezus had tegen de discipelen gezegd: Waar gaan we brood kopen om deze mensen te eten te geven?

En dan komen ze met “ja, maar… Dat zou zoveel geld kosten, dat kunnen we nooit betalen.” Het wordt een soort aanschouwelijk onderwijs, dat Jezus gaat geven en alles wat hij nu laat zien is van belang. Er is een probleem en er komt een oplossing. Wat is het probleem? Hoe lost Jezus dat op? En wat is dan het resultaat?

Alles in het aanschouwelijk onderwijs van Jezus is van belang. Tot en met het laatste wat hij zegt. Moet u straks maar eens op letten, wat dat is! Het probleem: Er is niet voldoende.

De leerlingen komen bij Jezus terug met de inhoud van het rugzakje van dit kind. “Dit is alles wat we hebben. Da’s niet genoeg…”

Vervolgens laat Jezus naar mijn idee vijf dingen zien. Ik zal ze u vast noemen:

– Jezus laat de mensen zitten in het gras. Het zachte gras van Tiberias. Schaapjes…

– Dan -twee- néémt hij de broden en de visjes

– Drie: Jezus dankt God

– Vier: Jezus deelt

– En vijf: Jezus laat alles wat overgebleven is vergaderen.

Doen zitten in het gras. Nemen. Danken. Delen. Verzamelen.

Er zijn veel commentaren die zoeken naar de betekenis van dat vijf en twee. Vijf broden en twee vissen. Zou dat wat te betekenen hebben? Je kunt daar heel ver in gaan en overal wat achter zoeken. Ik ben daar wat voorzichtig in. Maar laten we even aannemen dat Johannes inderdaad met die vijf broden de vijf boeken Mozes op het oog heeft. Dat hij wil dat we daar als lezers aan denken. En die twee vissen staan dan voor: de samenvatting van de wet van Mozes, de twee geboden waarin Jezus alles samenvat: Gij zult de Here God liefhebben met heel uw hart en ziel en kracht en uw naaste als u zelf. Aan deze twee geboden zit de hele wet vast, Aan deze twee geboden hangen de vijf boeken van Mozes. Vijf en twee, samen zeven.

Nou goed. Doen we. We gaan vanmorgen mee in die betekenis. Dan schildert Johannes hier dus… een gemeente! Dit is dan de grondvorm van een christelijke kerk. Hoe gaat het in de kerk? En wat gaat er niet zo goed? En hoe kan dat worden opgelost?

Dat eten geven is niet alleen een maatschappelijke taak. Er is honger in de wereld. Mensen moeten eten. En het rijke Westen kan daar niet van weg kijken. Ook christenen niet. We kunnen honderd keer in een crisis zitten, maar de nood in de wereld is groot. Daarom doe ik ook een beroep op u om de actie van ZWO te steunen.

Maar daarnaast heeft dat eten geven uit dit verhaal vrijwel zeker ook een geestelijk aspect. “Eten geven” staat in de bijbel wel vaker voor: geestelijk onderricht.

Het wordt echt de hoogste tijd dat de kerk buiten de kerkmuren kijkt. Er is namelijk ook veel geestelijke honger in de wereld. En een aantal gemeenteleden is in kleine groepen bezig met na te denken over die vraag. Hoe kunnen we in de woonwijk laten zien dat onze gemeente iets anders nog te bieden heeft voor de woonwijk dan uitsluitend parkeeroverlast? Vertel ze van de Heer, en vertel dan iets góeds van de Heer. Verkondig het evangelie. Gebruik daarbij alleen als het nodig is en bij wijze van uitzondering: woorden.

“Don’t talk shit.” Zoals de engelsen zo treffend kunnen zeggen.

Ga eropuit. De dienst begint niet op het moment dat je de kerk binnenkomt maar zodra je de kerk verlaat.

Maar dan is vaak onze reactie dezelfde als die van de discipelen in ons verhaal vanmorgen. We hebben niet genoeg: Niet genoeg tijd. Niet genoeg middelen. Niet genoeg ambtsdragers en vrijwilligers. We hebben het ook niet genoeg voldoende voor mekaar. We moeten eerst intern de zaak beter op orde hebben en dan pas kunnen we ons op buiten concentreren. Daar zijn we nog lang niet aan toe.

In dit verband staat er nog een intrigerend tweede gedeelte op het rooster. Ook deze week weer verzeker ik u dat ik het niet heb uitgezocht. Het wordt ons aangereikt. En net als de vorige weken kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat de Heilige Geest ons iets op het hart wil binden. Soms slaat de bijbel de spijker spetterend op de kop. We hebben het gelezen, van Paulus aan de Galaten (Galaten 6:2). Deze tekst uit Galaten die de kinderen deze week meekrijgen op de Doelgericht Samen Leven- sleutelhanger kent u waarschijnlijk nog wel uit een oudere vertaling:

“Draagt elkanders Lasten”.

Er zijn wel christelijke verenigingen die genoemd zijn naar deze vermanende opmerking van Paulus. Afkorten is dan een beetje moeilijk, maar het is inderdaad een sterke boodschap van Paulus.

Ik ga er even -kort- op door. U moet zich de volgende situatie voorstellen. Je ziet iemand en die heeft een zware last op zijn schouders. Hij of zij gaat eronder gebukt en je ziet zo iemand er haast onder bezwijken. Wat doe je dan? Dan ga je erop af…

Sommigen van u zullen zeggen: dat is toch niet per se christelijk? Dat doet toch iedereen? Dat is toch normaal? Nou, ik weet het niet. Paulus zal het misschien wel normaal gevonden hebben maar hij schrijft het aan de Galaten, een gemeente die hij niet bepaald een leuke gemeente vond en waarheen hij dus bepaald geen lieve, aardige, leuke, gezellige brief stuurt. “Stomme Galaten” Zo schrijft hij in deze brief. Is vertaald met “Onverstandige Galaten” Dat klinkt wat vriendelijker. Maar Paulus is echt nijdig hoor…! Stelletje stommelingen! Omdat ze…

Nou ja, niet elkanders lasten wilden dragen. Bijvoorbeeld.

Dus Paulus zegt net dat het zo typisch is voor christenen om dat te doen maar dat het zo slecht is als uitgerekend christenen dat níet doen.

Nou, dus je ziet iemand bezwijken onder zijn of haar last en dan ga je erop af en dan zet je jouw schouders er ook onder en dan draag je dat met diegene mee. “Kom, doen we het samen”. Daar is een mooi latijns woord voor dat u allemaal kent maar waarvan de betekenis is verwaterd. Dat wat je dan doet: naar zo iemand toelopen en méé je schouders eronder zetten, zodat het jou ook wat kóst. Dat heet tollere. En als je dat doet, dan ben je… Tolerant.

Tolerant is een ideaal, in een christelijke gemeente vooral als die verdeeld is. En dat is zij haast principieel. Want dat was al zo bij Paulus, dus we moeten niet vreemd opkijken wanneer dat in onze dagen ook het geval is.

Tolerant is dus niet -wat er vaak van wordt gedacht- dat je iets gedoogt. “Zij zijn zus, of zij doen zo nou ja, moeten zij weten, zolang ik er maar geen last van heb, of hinder van ondervind, vind ik het allemaal best.”

Dat is dus eigenlijk níet tolerant, eigenlijk, dat: “zolang ik er maar geen last van heb”.

Tolereren is nou juist: er lást van hebben. En dat ook bewust willen. “Draagt elkanders lasten.” En ik ben ervan overtuigd dat we daarmee best naar buiten kunnen treden, als wijkgemeente.

Zolang we dat elkanders-lasten-dragen niet met een somber gezicht doen, is er helemaal niks mis mee. Integendeel.

Goed, nu weer terug naar het onderwijs van Jezus. Wij kunnen ons wel herkennen in de tegenwerping van de discipelen. “Ja-maar? We hebben niet genoeg.”

Het glas is half vol.

We hebben dus te weinig. Ja, we hebben wat een kind ons komt brengen maar dat is toch niet genoeg, wat zo’n kind bij zich heeft? Een kinderhand is gauw gevuld. Dat zeggen we dan, hè? -als iemand naar ons idee te snel tevreden is. We willen méér, we willen alles! (even tegen de doopouders en tegen alle ouders en tegen alle pakes en beppes, dus eigenlijk tegen iedereen: Dit is hét geheim van het evangelie hoor: laat kinderen tot mij komen en verhindert ze niet wánt: een kinderhand is gauw gevuld!)

Nou, let op, want nu gaat het gebeuren, weet u het nog? Jezus doet de mensen zitten in het gras. Jezus neemt dat wat een kind inbrengt. Dankt God. Deelt uit aan de mensen. En laat verzamelen, opdat…!

Kom ik nog op terug, op dat ‘opdat’.

Als wij dus inbrengen wat we hebben en we leggen het voor Jezus neer en we zeggen: dit is alles, lieve Heer dan zal hij er God voor danken en het dan zó wonderlijk verdelen dat het genoeg blijkt. Méér dan genoeg. Als wij maar geven wat we hebben, zelfs al is dat kinderlijk weinig. We hebben niet veel tijd. We hebben haast geen geld. We hebben geen vrijwilligers genoeg. We hebben te weinig ambtsdragers. En Jezus zegt: jullie dénken dat dat te weinig is. Dat er veel meer nodig is. Maar waarom hou je geen rekening met mij? Jullie zien teveel wat er niet is en te weinig wat er wel is. Geef maar hier.

Hij dankt God. U hoort het goed: Jezus dánkt God. Hij zegt niet: “Vader in de hemel, wat vindt u daar nou van: van dat stelletje krenterige…” Nee, lieve mensen hij neemt het aan en dánkt God. Dankt God voor dat ene uurtje dat we er dan wél in willen steken. Dankt God voor die ene euro die we in de collecte doen. Dat ís niet niks, namelijk. Hij dankt God voor dat ene bezoekje dat we brengen; voor die paar uur die we aan de kerk besteden, -aan het gebouw -aan de mensen in dat gebouw… -aan de mensen die om dat gebouw heen wonen…

En dan blijkt dat ineens, doordat Jezus ervoor dánkt, ruim voldoende te zijn. Dat wordt ongelooflijk. Maar het wordt pas ongelooflijk lieve mensen als we niet langer niks doen omdat we menen dat we te weinig hebben. Als we ons niet langer blindstaren op wat er niet is.

Het wordt pas ongelooflijk als we voor God brengen wat we dan wel hebben. Als we niet tegen God blijven zeggen dat we niks kunnen doen omdat we te veel tekort komen.

Als we er allemaal in zouden geloven, lieve gemeenteleden. Jullie zijn lieve schatten en ik hou van jullie. Als we er allemaal in zouden geloven, ik ook, ras-pessimist die ik ben van nature… En we zouden voor Jezus neerleggen wat we te bieden hebben al is dat nog zo’n klein beetje. En we zouden Hem zijn zegenrijke gang laten gaan. Dan zouden er met en in onze gemeente grote wonderen gebeuren. Daar ben ik zo goed als zeker van.

Ben ik dan toch een optimist? Nee, dat ben ik niet. Ik zie er hiervandaan zo een heleboel zitten met een veel optimistischer aard dan ik heb. Maar wat is het punt? Wat wil het verhaal ons vanmorgen leren?

Wacht, ik kan het u laten zien. Dit glas, stel nu even, dit is wat we hebben als gemeente: Een glas, half vol. Hiermee kunnen we niet de boer op. Met een halfvol glas. Ze zien ons aankomen. Toch?

Pessimisten zeggen: het is half leeg. Optimisten zeggen: het is half vol. Is er een derde evangelische mogelijkheid? Jawel: Kijk, je kunt ook vragen: Wáár is de kan??? (Glas volgieten tot over de rand)

Zie je: de kan. Het kán met de kan!

En dan zegt Jezus: “Verzamelt alles wat overgebleven is. Opdat…” En dat “Opdat” van Jezus aan het slot van ons verhaal dat moet ons als muziek in de oren gaan klinken, Want daar draait álles om. Daar is het allemaal om begonnen.

Dat hele leven van Jezus, wat hij ons laat zien, wat hij ons vertelt, wat hij met mensen doet, dat kruis waaraan hij sterft, dat graf waarin hij is gelegd en waaruit hij opstaat, het tolerante van ons als het enige zinnige antwoord daarop, dat alles, alles, is er, opdát…

Wie weet het? Wat zegt Jezus nu eigenlijk?

“Opdat er niets of niemand  v e r l o r e n   g a a t  !”

AMEN

Leave a Reply