15 augustus 2010

Loslaten als daad van liefde (prediker 3:1-15)

Gehouden in De Arke op 15 augustus 2010

Zo, lieve mensen, dat is lang geleden. Pinksteren, dat was de laatste keer dat wij hier elkaar ontmoetten. Dat is alweer enkele maanden terug.

Ik weet niet hoe het u vergaan is, maar ik heb dit gemist, deze plek.

Om elke week weer met u de reis te maken. Door het evangelie.

Want dat heb ik nodig. Samen met u op weg naar… Nee, laten we even niet te snel het hebben over dat waar-naar-toe; laten we het vandaag hebben over de weg zélf.

Als samen gemeente zijn iets is als: samen onderweg zijn, dan heeft het zin om na te denken over die weg. Sjongend op Wei. Voor niet-Friezen doet dat misschien denken aan zoiets als het Veenhoopfestival, galmend in het gras, maar “wei” betekent: weg. Zingend op weg.

De bijbel heeft het er altijd over dat we op een weg zijn. Christenen worden in het nieuwe testament ook wel “mensen van de weg genoemd”.

Wij zeggen, in ons spraakgebruik: we zijn onderweg, maar bijbels is niet: ónderweg maar: óp weg. De weg draagt jou. Dat is de gedachte. Het idee.

En wij zijn samen op weg. Maar: hoe gaat dat? En: gáát dat wel?

Soms is dat moeilijk, en zitten we elkaar danig ín de weg. Het begin van het jaar hebben we dat kunnen merken. Dan treden er ergernissen en irritaties op. En kunnen sommigen niet met elkaar óver weg. Dat gebeurt, helaas. En wat moeten we dan doen? Daar heb ik over nagedacht. En ik kan niet zeggen dat ik het weet, maar ik heb wel wat gedachten ontwikkeld, waar we het komende seizoen wellicht een hoop plezier van kunnen hebben. Hoop ik.

De gemeente van Christus wordt gedragen door een weg, je kunt ook zeggen: De gemeente van Christus wordt gedragen door liefde. Het behoort een liefdevol geheel te zijn. Maar dat betekent niet hetzelfde als zoetsappig, klef of plakkerig.

Het kan ook liefdevol zijn -of misschien wel júist- om als dat nodig is enige afstand van elkaar te nemen.

De gemeente is een gezin, wordt weleens gezegd, bestaat in elk geval uit relaties. Een kerk is op de keper beschouwd geen gebouw, een kerk is een groep mensen. Zonder gebouw heb je nog steeds “Church”, maar zonder mensen heb je niks. Het gebouw is nuttig en mooi, maar niet noodzakelijk. Dus: mensen, met relaties onderling.

En soms zitten die niet lekker. En dan: wat is dan christelijk? Ik denk dat het dan liefdevol is om iemand los te laten, te laten gaan; en niet vast te houden als zij niet de liefde kunnen opbrengen die jij voor hen had. Dat kan.

Eén van de grootste verzoekingen voor een predikant is bijvoorbeeld dat je meent dat iedereen jou aardig moet vinden, en goed. Dat is niet zo, namelijk. En dat geldt ook voor jullie onderling.

Er was ooit een hitsingle, in de tijd dat muziek nog op zwarte vinylplaatjes werd verkocht, in papieren hoesjes, met een groot gat in het midden… Wie kent ze nog? Een hitsingle van de groep Cheap Trick. Jawel dames, met die mooie blonde zanger: Robin Zander -heeft twaalf weken op nummer 1 gestaan- “I want you to want me”, heette dat liedje.

Lieve mensen, dat is de grootste verleiding voor de leden van een christelijke gemeente: “I want you to want me”. Niet alleen voor de predikant of de andere kerkenraadsleden, maar voor ons allemaal geldt: Doe dat niet! Eis dat niet van elkaar. Laat dat los.

Ik althans wil dat loslaten, want je wordt er doodmoe van. En toen ik erover nadacht schoot het door me heen dat we dat als hele gemeente zouden moeten doen. En dat we dat toch tamelijk snel moeten gaan doen, want anders komt het -denk ik- niet goed met onze Protestantse Gemeente in Drachten.

Je hoort weleens zeggen: het is teveel los zand. Dat denk ik eerlijk gezegd niet. Ik heb er even afstand van kunnen nemen een aantal weken, en me in allerlei literatuur verdiept en bij onder andere dokter Hendriks van de VU kwam ik tegen dat het teveel op elkaar geplakt wordt. Het is niet te los, het zit te vast!

Het is niet te open, het is te dicht!

Wat ik bedoel kan ik misschien duidelijk maken met een verhaal. Er was eens een man die schipbreuk leed en vervolgens op een onbewoond eiland aanspoelde. De man was een Jood. Het eiland waarop hij aanspoelde lag in een stil gebied en er was geen scheepvaartroute vlakbij. De man wist zich met wat er op het eiland aanwezig was in leven te houden. Vele maanden nadat hij daar aangespoeld was zag hij voor het eerst een schip voorbij varen en hij wist met vuur en rook de aandacht van de bemanning van dat schip te trekken. De kapitein stapte hoogstpersoonlijk in een sloep en zette koers naar het bewuste eiland. Daar aangekomen werd hij hartelijk welkom geheten door de Joodse man. De enige bewoner van dat eiland. Hoe heeft u het hier uitgehouden? Zei de kapitein. Dat zal ik laten zien, zei de man. Kom maar mee. En hij toonde hem zijn hutje. En even verderop stonden twee gebouwtjes. Zelf gebouwd, zei hij tegen de kapitein. Mooi, maar wat zijn dat voor gebouwtjes? Dat zijn twee synagogen, meneer de kapitein. Waarom twee? Eén zou toch genoeg geweest zijn? Nee, zei de man. Ik heb ze allebei nodig. Want dat is de synagoge waar ik elke sabbath graag naar toe ga. En die ander dan? Dat is de synagoge waar ik beslist níet graag heen wil.

Lieve mensen, dat is de realiteit, dat mensen zich van jou of van elkaar willen verwijderen. Dat gebeurt.

En nu is het zo dat we, zodra we die realiteit de ruimte geven, zodra we die realiteit laten winnen, dat wij alleen dan dán niet kunnen verliezen.

Dat klinkt als Abracadabra en in die zin lijkt het prima in een preek te passen maar ik zal het proberen uit te leggen.

Het lijkt zwakte, maar het ís kracht: Loslaten.

Dat is niet alleen goed voor jou, maar ook voor degene die jou wil verlaten, of afstand van je wil nemen.

Die realiteit is namelijk groter en sterker dan jij. Je verliest het juist dán als je vecht tegen die werkelijkheid. Zo vindt ik het krampachtig eraan vasthouden, als kerk, dat we weer zullen gaan groeien, dat er meer mensen bijgeplakt moeten worden -laat ik het zo maar even zeggen- ik vind dat een gevecht tégen de werkelijkheid. Kansloos. Juist wanneer we dat lóslaten, en accepteren dat de dingen gaan zoals ze gaan dán pas zullen we niet verliezen.

Salomo schrijft in Prediker: Er is een tijd om stenen te verzamelen en er is een tijd om stenen uit elkaar te werpen. Die bij elkaar gebrachte stenen slaan volgens mij op de relaties tussen mensen. Je komt dat nog weleens letterlijk tegen, van die stenen. Wij hebben deze zomer gewandeld. En als je dan een berg beklimt, en je komt boven, dan vind je vaak een stapel stenen. Wat betekent dat? Mensen leggen stenen bij elkaar, zo van: wij hebben iets gemeenschappelijks, wij hebben deze berg beklommen. Stenen bij elkaar brengen duidt naar mijn idee op relaties. En die hebben nu eenmaal een tijd. Relaties zijn soms niet onbeperkt houdbaar. En u weet uit uw eigen leven wel waar ik het over heb.

Soms wil het gewoon niet. Of… nou ja… irritant. Dan wil je wat verder uit elkaar. Even pfff. Of misschien niet even, misschien voorgoed. Dat kan ook.

Wel, nu even een spirituele vraag: Als er iets is, of iemand, in het universum, dat ons wil verhinderen om afstand te nemen, of te vertrekken, wat is dat dan? God! Ja, klopt. Dat is inderdaad wat vaak wordt gezegd: God. Je kunt mij niet verlaten… Dat zal ik verhinderen. God.

Maar laten we reëel zijn: Hebben wij dat de God van de Bijbel ooit horen zeggen? De god van het Christelijk geloof? Nee, toch?!

Ik hoor heel andere klanken in het evangelie, eerlijk gezegd. “Kom tot mij”; “Volg mij”; “Jeruzalem, Jeruzalem, hoe dikwijls heb ik uw kinderen willen verzamelen zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels.

Maar je wilde niet.”

Die laatste woorden… Is dat niet een centraal punt in de bijbelse boodschap? “Ik wilde dat je bij me bleef maar jij wilde niet.”

Lieve mensen: God gaat nóóit over die streep! God laat je altijd vrij om te kiezen. Bij Hem te blijven of hem te verlaten. Je bent vrij. De Bijbelse God dwingt nooit.

Maar dat is precies wat de kerk zo moeilijk vindt. De kerk dwingt wel, of zóu willen dwingen. Dat zegt de kerk niet met zoveel woorden, maar de kerk vindt toch eigenlijk dat je zou moeten blijven en dat je niet weg mag. En dat anderen zich bij ons zouden moeten voegen.

Alleen de termen al die we daarvoor gebruiken: buitenkerkelijken; ongelovigen! Dat zijn termen waarmee we aanduiden dat die mensen in een positie zijn, die wij áfkeuren. Ze zijn “buiten-de-kerk”. Ze zijn “óngelovig”. Dat is een afkeurenswaardige plek: buitenkerkelijk. Daar hoort een mens niet te zijn.

Hoort u: we geven eigenlijk een oordeel over de mensen die niet binnen zijn maar buiten. Je hebt het midden, en dat is hier; en dan heb je de “rand”, dat is al een stuk minder; en dan heb je “buiten” en dat is helemáál mis.

God doet dat niet. God laat mensen werkelijk vrij om te gaan of niet te willen. Denk maar aan het verhaal van de verloren zoon. Had de vader kunnen zeggen: niks erfdeel, je blijft hier, snotjongen dat je bent. Straks kom je nog bij de varkens terecht.

Ja, dat had de vader kunnen zeggen. Waarom zou je immers je erfenis verdelen als je zelf nog in leven bent? Hij had de zoon kunnen tegenhouden maar hij deed het niet.

De kerk is té moreel. De kerk accepteert te weinig de realiteit van vandaag, en die is dat mensen de kerk de rug toekeren of zich er niet bij willen aansluiten.

Ik zeg niet dat we dat allemaal fijn moeten vinden, of ervan moeten genieten; of dat we onverschillig zouden moeten worden, integendeel. Maar dwang, ook morele dwang, is uit den boze. Daarmee maken we de zaak namelijk kapot. Omdat het niet werkt. Sterker nog, omdat het tégen ons werkt. We bereiken het omgekeerde van wat we willen. Mensen worden nog “buitenkerkelijker” dan ze toch al zijn en we maken het hen verschrikkelijk moeilijk om toe te treden. Want als ze onder morele druk toe moeten treden of niet durven vertrekken en dan maar blijven dan doen ze dat met schuldgevoel. En de gasten die hier zijn zullen dat toch met me eens zijn: Je geeft dan toe aan de door de kerk opgelegde druk.

Je voelt je gedwongen, toch? Dat is een naar gevoel. En dat zul je dus niet doen. Toetreden. Of blijven. Sterker, dat zul je zelfs willen vermijden. Niemand wil een schuldgevoel oplopen. En zeker niet vrijwillig.

Een paar jaar terug kwam er een film uit met als titel:”Bruce Almighty” Een leuke film. In enkele moslimlanden trouwens verboden, maar laten we het daar maar niet over hebben, da’s teveel koren op Wilders’ molentjes. Ja, daar loopt hij mee.

In die film speelt Jim Carrey een prachtige komische rol. Hij is namelijk God, voor één week, ik geloof tenminste dat het één week was. Hij verricht wonderen, de gekste dingen, hij verandert het verkeer; maar zijn vriendin Grace, -mooie naam- wordt zo zat van hem, dat ze hem verlaat.

Hoe kan ze mij nou verlaten? vraagt Bruce zich dan vertwijfeld af. Ik ben toch God? Hoe kan iemand God verlaten?

En dan gaat hij naar de echte god, -gespeeld door Morgan Freeman- om zich te beklagen en hij verzucht: “Why can’t I make somebody to love me?” “Waarom kan ik niet iemand van me laten houden?”

En de echte God zwijgt even. Glimlacht. En zegt dan: “Welcome to My World!”

Er zit zoveel theologie in dat ene zinnetje. Zoveel realiteit. “Welcome to My world!”

Die film zouden alle kerkenraadsleden moeten zien. Althans die ene opmerking van God zou bij alle kerkenraden in het systeem moeten gaan zitten.

Dat liedje: “I’m gonna make you love me” is niet een liedje dat God graag zingt. God weet dat het onzin is. Verléidelijke onzin. Kent u dat liedje nog? Gezongen door de… Temptations! Nou, het is inderdaad één grote verleiding, hoor! “I’m gonna make you love me.” Niemand wil zich dan aan die andere kant bevinden, toch?

Er is geen mogelijkheid, geen ruimte, voor iemand, om zich aan je te binden, als diegene niet het gevoel heeft dat er een keus is om dat te doen. Dat er vrijheid is.

Niet alleen letterlijk, maar ook gevoelsmatig.

Als mensen lid worden van de gemeente is er een doopfeest of een belijdenis-happening, of iets van dien aard. Maar als mensen vertrekken wordt er heel sneu gedaan. Dat hoort eigenlijk niet. En we zwijgen er verder over en laten de mensen ongemerkt verdwijnen, maar duidelijk is wel dat we daartegen zijn.

Nogmaals, ik zeg niet dat we het fijn moeten vinden dat mensen bij ons weg gaan maar als we ze de vrijheid ontnemen te gaan, dan gaan ze zéker. Om nooit meer terug te keren uiteraard.

Loslaten is dus misschien juist wel goed! Het brengt je namelijk meer op één lijn met de realiteit.

Als er een kans is dat iemand zich aan je bindt of zich naar je toe wendt is dat wanneer er voldoende ruimte en vrijheid is om dat te doen. Niemand wil zich aan je binden omdat dat nu eenmaal moet. Niemand wil zich binden vanuit een soort schuldgevoel. Een verplichting.

Dat geldt dus niet alleen voor verkering en huwelijk, maar dat geldt voor allerlei relaties, vriendschappen, collegiale relaties, maar ook het samen gemeente zijn.

Daar is meer ruimte nodig. Ik bedoel niet lauwheid of dat we het erbij laten zitten. Juist niet. Elkaar loslaten is een manier van doen die we leren moeten. Dat zit helemaal niet in ons systeem.

Nou, tot slot. Want als iemand ons verlaat, hoe zit dat dan met God? Is een buitenkerkelijke ook een goddeloze? Toen wij terugkwamen van vakantie en we reden langs ‘s Heren wegen, over de Rechts-Rheinische Autobahn, zag ik op verschillende plaatsen een machine staan. U heeft die vast ook wel gezien, onderweg.

De Wegbereider

Daar werd aan de weg gewerkt. Maar de naam viel mij op. En liet mij niet meer los: Liebherr.

Ik dacht: zo is eigenlijk de situatie. Dat is misschien een mooi beeld, om niet meer te vergeten. Een beeld dat alles wat we tot nu toe hebben gezegd in zich bergt. Zodat u het een beetje kunt onthouden.

Als u dan dat ding ziet staan, dan denkt u aan de gemeente, als een gemeente-onderweg: Sjongend op Wei, en aan de onderlinge relaties binnen die gemeente.

Dan denkt u aan onze gemeente en waarom dat zo’n heerlijke gemeente is en ik er voorlopig niet weg wil. Het vakantiebeeld 2010: De Liebherr!

Onze lieve Heer als een God die een weg maakt.

Geloven is niet zozeer iets weten over God of beweren dat God bestaat. Geloven is gaan op een weg. En die weg is er omdat er een God is die voor ons een weg bereidt. De wegbereider. Onze Lieve Heer. En God dwingt ons niet op die weg te gaan. God geeft ons de ruimte om op die weg te gaan. God laat ons vrij, om te gaan.

Wie heeft deze Liebherr ook ergens zien staan? En langs welke weg reed u toen?

Ziet u, dat hoort wat mij betreft bij het beeld. Er is niet één weg.

En hebt u ook nog om u heen gekeken: er is ook niet één auto! Er zijn rode, groene, gele en blauwe auto’s. Alle kleuren van de regenboog. Snelle en minder snelle; dure en goedkope auto’s; patsers en brikjes. Allemaal op weg. Zo worden mensen gedragen door Gods wegenbouw.

En God doet dat veilig. En robuust.

Er zijn vele wegen en vele verschillende mensen op die wegen, maar er is als wegenbouwer maar één… Liebherr!

En hij brengt alle mensen thuis.

En laat ze niet los.

Amen

Leave a Reply