21 maart 2015

Is God oneerlijk?

In het hemelse koninkrijk is alles ge-wel-dig! Het ultieme geluk. Voor eeuwig blij en vrolijk. Zodra we deze aardse ellende kunnen verlaten, en we slagen voor ons examen, zullen we eeuwig kunnen dansen en zingen. En wandelen over gouden straten en onder parelmoeren poorten door. Als we slagen voor ons examen.

Maar wie kent de examen-eisen? Hoe goed moet je zijn om er te komen? Wat moet je bereikt hebben? Welk niveau van godsdienstigheid moet je zien te behalen? Er is werkelijk, op de hele wereld, geen predikant of priester of goeroe die het u zou kunnen vertellen. Maar ja…

Het is wel eerlijk dat degene die het beste presteert het meest wordt beloond. Loon naar werken, zo zal het toch wel ongeveer zijn? Want als dat niet zo is, dan vinden we er al snel niet veel meer an… Want voor ons gevoel lopen we dan te sjappelen voor niks. Of ben ik de enige die zo denkt? Of zo dácht, vroeger, maar bij wie dat soort traditionele beelden soms weer onrustig op-poppen…?

Ik hoor weleens van mensen dat ze moeite hebben met preken waarin het met iedereen goed komt. Ook bij kerkvisitatoren zijn een aantal klachten ingediend in die richting. Nu heb ik dat volgens mij nog nooit zo recht-toe-recht-aan gezegd: dat het met iedereen goed komt. Wel dat Jezus volhoudt dat God wíl dat iedereen behouden wordt. En wil dat er niemand verloren gaat. Want dat houdt Jezus vol. -en dat wij dan niet zomaar met goed fatsoen kunnen zeggen: “Ja hoor ‘s, Dat kan God nou wel willen, dat iedereen behouden wordt, maar dat gaat zomaar niet!”

De gelijkenis die Jezus vanmorgen vertelt is een heel spannende. Het lijkt allemaal zo eenvoudig, maar dat is het uiteindelijk toch niet. Het komt niet “zomaar” goed. Het is een verhaal van: een gewaarschuwd mens telt voor twee… Doe er je voordeel mee.

Ik heb er een hele tijd naar zitten kijken. Mensen gaan werken in de wijngaard. De eersten vroeg op de dag. In de morgenstond, staat er. En dan een stel midden op het derde uur en vervolgens op het zesde uur en het negende uur en dan nog een laatste groepje ter elfder ure. Maar wanneer het op uitbetalen aankomt krijgen degenen die het laatst aan het werk zijn gegaan, die er nog naar net zijn dus, overall nog niet eens dichtgeknoopt, -die dus welbeschouwd nog geen fluit hebben uitgevoerd, nog geen druif hebben aangeraakt, -die krijgen evenveel als degene die de hele dag al hebben lopen ploeteren.

En die ploeteraars vinden dat maar niks. Begrijpelijk… toch? Het is eigenlijk een snertverhaal. Wat wil Jezus ermee duidelijk maken? Om dat te begrijpen moeten we letten op het werkwoord “hupago”. Een grieks woordje dat Mattheus in deze gelijkenis drie keer gebruikt. Het is “gaan”, maar dan -zeg maar- hyper. Hyper-gaan. Weggaan. Verdwijnen.

Mattheus heeft dat “hupago” al een paar keer eerder toegepast in zijn evangelie. Bijvoorbeeld bij de verzoeking door de duivel. “Ga heen!” “Ga weg!” “Weg van mij! “En het woord wordt gebruikt bij het verhaal van de geesten die Jezus uitwerpt en wegstuurt en die dan in de zwijnen varen, die zich vervolgens van de afgrond in zee storten. ‘Hupago’ is dus veel meer dan alleen maar: gaan. “Maak dat je weg komt”. Als je dat eenmaal dóór hebt dan is dit een hele spannende gelijkenis. Die ons met een totaal andere blik leert kijken naar onze werkelijkheiden naar die van het koninkrijk.

Het eerste wat we vast moeten houden is dat het hier gaat om een wijngaard. Het gaat niet om een steenkolenmijn, een staalindustrie, of het leger. Hier gaat het om een bijzonder product: wijn. Vrucht van de wijnstok. Wijn die het hart verblijdt. Een shalom-bedrijf. Wijn is de drank van de liefde en de vrede. Maar het is niet de zoete sap van de lieve vrede… Zoals we zullen zien.

De eerste groep, die door de Heer aan het werk van de vrede wordt gezet, wordt “uitgezonden”, staat er in vers 2. “Apostello”. Zij zijn in de taal van de gelijkenis: apostelen, letterlijk. Gezondenen. “Zie ik zend u…

“En bij de groepen daarna wordt dus dat griekse werkwoord ‘hupago’ gebruikt. “Ga weg van hier, van deze plek, deze markt, waar slaven wachten op een slavenhouder die bereid is ze aan het werk te zetten. “Werk, werk, werk”. Ik krijg een beetje hekel aan dat mantra dat in de verkiezingen zo’n grote rol speelde. Maar dat is dus wat de Heer zegt. “Hupago! Ga hiervandaan, van deze markt naar de wijngaard. Ga van hier naar daar.” In vers 4 en vers 7.

Maar nu vers 14… In vers 14 zit ‘m de kneep. Letterlijk. Dat is nadat degenen die gezonden waren geklaagd hebben over het feit dat de Heer van de wijngaard iedereen gelijk behandelt. “Wij hard ploeteren en de hitte des daags doorstaan en zij zomaar, zonder er iets voor te hoeven doen…? Dat is ook maar mooi makkelijk! Gaat dat zomaar? Het is toch zeker: “wie het eerst komt het eerst maalt?”

Dán zegt de Heer: “Neem het uwe en ga heen!” Neem waar je recht op meent te hebben en ga heen, “hupago” van hier naar daar. Maar inmiddels zijn we dus in de wijngaard! En in de wijngaard kán dat “hupago” niet anders betekenen dan: ga deze wijngaard dan maar uit en naar de markt. Waar regels en wetten gelden die jullie zo belangrijk blijken te vinden. “Loon naar werken” en: “wie het eerst komt het eerst maalt” en “wie niet werkt zal niet eten” en dat soort mantra’s.

Waar zit nu het springende punt? Waar begint het te kantelen? Het begint pas te kantelen als u zich verplaatst in de situatie op de markt. Wat die “gezondenen in de wijngaard” niet lijken te beseffen, is wat er gedurende de dag op die markt aan de hand is. Als de heer aan het einde van de dag aan de mensen die er dan nog staan vraagt waaróm ze daar nog staan is het onthutsende antwoord: “Omdat er niemand is die ons nodig heeft” “Niemand wil ons”.

Even uit de gelijkenis stappen naar een alledaagse werkelijkheid, die vandaag de dag niet meer voorkomt: Vroeger, op school, bij gymnastiek waar het altijd en eeuwig ging om een potje volleybal of basketbal, vormen van tamelijk zinloos tijdverdrijf waar ik niet in uitblonk zal ik maar zeggen. . . -vroeger mochten de twee besten van de klas beurtelings iemand uitzoeken om daarmee een zo sterk mogelijk team samen te stellen. “Ik wil hem”. “Waarna de verkozene trots naar voren huppelde. . . “Goed, En wie wil jij dan?” “Dan wil ik hém”. En zo werden eerst de besten verkozen en daarna de mindere goden. En daalde dat af qua voorkeur… En als iedereen dan in een team gekozen was, en er nog ééntje over was gebleven die nog aan de kant stond, eindigde dat proces vaak met: “Goed, dan zit Jurgen vandaag bij jullie in het team.”

Maar zo’n gammele-stiek ervaring staat niet op zichzelf. In Nederland, en dat is maar een getal… Zijn er meer dan zeshonderdduizend mensen die de boodschap te horen krijgen: jullie zijn niet nodig. Voor hen heeft de diakonie het project werkcafe gestart en dat vind ik een ongelooflijk belangrijk initiatief. Omdat de mensen die daar komen alles-behalve werkloos zijn. Ze hebben geen baan, dat is heel wat anders. Niets is erger, denk ik, dan het gevoel dat niemand je nodig heeft. Dát is het dus waar die Heer van de wijngaard jou in feite van bevrijdt! Van die moedeloos-makende schijn-werkelijkheid dat je overbodig zou zijn.

Niemand is overbodig. Als het om de Heer van de wijngaard gaat.

En dat is het wat de Heer “goed” vindt en degenen die zich daartegen keren noemt hij “mensen met een boos oog”. Die zijn niet zozeer boos in zichzelf maar die zien alles nog door de bril van de markt. “Wie het eerst komt het eerst maalt” en “loon naar werken” en “Wie niet werkt zal niet eten” en zo. Die hebben niet door dat “Koninkrijk der Hemelen” betekent dat niet langer de wil op aarde geschiedt van degenen die mácht hebben om hun wil te laten geschieden, maar dat in weerwil daarvan eindelijk Gods wil gaat geschieden.

Hoewel… Is alles daarmee gezegd? In Mattheus 6 zegt Jezus: de lamp van het lichaam is het oog. Ik denk dat Jezus hier opnieuw dat woord “oog” gebruikt. “Is jullie oog boos omdat ik goed ben?” De diepere laag in de gelijkenis is dus dit: De manier waarop de leiding van de gemeente naar de dingen kijkt is bepalend voor de vraag of het licht is in zo’n gemeente of duister…

Voelt u wel hoe de hele zaak hier kantelt? Het dynamiet zit in vers 14 en vreemd genoeg wordt dat vers in moderne vertalingen enorm afgezwakt en wordt er een lieve-vrede vertaling van gemaakt. Zo van: “neem dat nou maar aan, toe, maak geen ruzie.”

Nee, het is sterker: In de wijngaard is geen plaatsvoor degenen die de mores van deze wereld, deze harde werkelijkheid, blijven volhouden. De hemel kan niet een herhaling van zetten zijn. “Neem wat je denkt dat je toekomt en ga weg, ga hiervandaan, daarheen naar de markt waar de regels in jullie ogen eerlijker zouden zijn. ”

Je hoeft van mij niet weg. Be my guest, maar als je niet accepteert dat ik hier de regels bepaal en dat het koninkrijk der hemelen iets ánders is dan het koninkrijk der Nederlanden; dat wat hier ‘goed’ wordt genoemd ver af ligt van wat de top van dé bank billijk vindt; als je van het Koninkrijk der Hemelen een soort hierna-nogmaals wil maken, dan kun je beter gaan naar de plekwaar het in jullie ogen beter is dan hier.

De vraag is dus bovendien: hoe vínden de werkers in de wijngaard het werken in de wijngaard?

Hoe is het eigenlijk om méé te werken met God aan de vrede. Is dat een lust of een last?

Zo maak ik me wat zorgen om die enquete van de PKN. Ik hoop niet dat de landelijke kerk tegemoet gaat komen aan al die mensen die het werken in de wijngaard maar een last vinden en die daar liever van af willen. Die het in de kerk oké vinden zolang het daar alleen maar makkelijk en gezellig is. Terwijl daar inderdaad zoals de gelijkenis zegt de “hitte des daags” moet worden doorstaan.

Jezus heeft altijd volgehouden dat God wil dat het met iedereen goed komt. En dat hou ik dus ook vol. Ook als mij dat duur komt te staan en er klachten worden ingediend bij de kerkelijke autoriteiten. Maar lieve mensen, laten we eerlijk zijn: Jezus heeft toch nooit beweerd dat het werken in de wijngaardeen gezellig tijdverdrijf zou zijn? Alleen maar makkelijk en aangenaam? Hij heeft toch van meet af aan duidelijk gemaakt dat dat een zwaar karwei is? Dat daar durf voor nodig is en uithoudingsvermogen en vergevingsgezindheid en dat het taai is en weerbarstig en bij tijden heel vermoeiend en dat je het soms even helemaal niet ziet zitten met die wijngaard. Dat het vaak zuur is en bitter en dat je soms meer verlangt naar een soort lieve vrede dan naar het harde werken aan de shalom.

Zou het dát zijn waarom in heel Nederlander vrijwel geen ambtsdragers meer te krijgen zijn? Hoe kijken we aan tegen het werken in de wijngaard??

En wat vinden we van die Heer van de wijngaard?

Jezus nodigt alle mensen uit in zijn wingerd. Echter niet dwingend. Maar ga niet morrelen aan wat de Heer van de wijngaard “goed” vindt. En blijf je er steeds van bewust, dat wanneer je in de wijngaard mag zijn, en iedereen mag dat, van harte zelfs, -blijf je er steeds van bewust dat je dan bevrijd werd van het vreselijke gevoel dat niemand je nodig heeft. Bij God is niemand teveel. Niemand overbodig. Iedereen mag er zijn. Graag zelfs. Daar heeft Jezus voor geleefd en is hij voor gestorven. Daarvoor is zijn lichaam gebroken als brood. Met de bedoeling dat dat gedeeld wordt aan iedereen, gelijkelijk. De kunst is het om dát goed te vinden. En niet boos.

God is eerlijk en rechtvaardig op Zijn manier en niet op de manier van de wetten van deze eeuw. En om dat te vieren drinken we deze dienst van de vrucht van de wijnstok. De drank van de liefde en de vrede.

De volhardende liefde en de moeizaam te bereiken vrede. En dus niet de zoete sap van een lieve vrede.

Laten we er ons voordeel mee doen. Want de beker die wordt aangereikt zit tot de rand toe vol met genade.

Proef!

Amen

Leave a Reply