Pionieren en bezuinigen, gaat dat wel samen?

Dat de Protestantse Kerk in Nederland graag wil bezuinigen is voor iedereen wel te begrijpen. De kerk staat er niet al te best voor. Naast snoeien in de uitgaven lijkt de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) ook te zoeken naar nieuwe bronnen van inkomsten. Heel lastig wordt het wanneer er ook een discussie over het ambt ontstaat in een bezuinigende kerk, omdat die twee maar heel moeilijk van elkaar los gedacht kunnen worden, of zelfs in het geheel niet van elkaar gescheiden zijn.

In de huidige discussie over het ambt van predikant lopen de emoties hoog op. Gemeentepredikant Dr. Ad van Nieuwpoort heeft in dagblad Trouw (26 april) de synode opgeroepen het ambt van predikant niet in de uitverkoop te doen. Nu zal de synode dat op die manier niet besluiten, maar het kan wel degelijk het gevolg zijn op termijn van een besluit dat de synode op het punt staat te nemen. Tegen het pleidooi van ds Van Nieuwpoort kwam veel verzet, met name van HBO-opgeleide werkers in de kerk, die zich onheus bejegend voelden.

Het gaat echter niet om een conflict tussen HBO-opgeleide werkers en predikanten, of zou daar niet om moeten gaan. Het is een kerkelijk probleem dat aanleiding geeft tot dit soort van botsingen. Mijn idee is dat deze discussie niet zomaar tot consensus leidt, om vier redenen:

  1. Er wordt -al vele jaren- ten onrechte een onderscheid, ja zelfs een scheiding, gemaakt tussen de bediening van het Woord en de bediening van de Sacramenten. Waarbij het laatste anders, en zwaarder, wordt gewogen dan het eerste, dat eigenlijk zo’n beetje iedere leek kan en mag.

  2. Met verschillende argumenten die niet allemaal even helder of zakelijk zijn wordt in kringen binnen de PKN betoogd dat de academische vorming van predikanten steeds minder noodzakelijk zou zijn.

  3. Het ontstaan van nieuwe plekken gebeurt veelal van onderop en kan (en moet wellicht) in een veel oecumenischer raam worden beschouwd.

  4. Er smeult toch bij deze hele discussie over het ambt (van predikant) de veenbrand van te willen of te moeten bezuinigen. En de rook daarvan beneemt teveel het zicht en de adem om daar een beetje zindelijk uit te komen.

In het rapport “Mozaïek van Kerkplekken” wordt de nood waarop de kerk moet reageren als volgt aangeduid, op pag 4 : “Wat doen we als een groep vrijwilligers een kliederkerk start en er komt een vraag om een kindje te dopen, mogen die vrijwilligers dat dan dopen of moet een predikant dat doen?” Dit voorbeeld -waarmee het rapport inzet- is niet zomaar uit de lucht gegrepen. Dit is werkelijk wat er speelt: mogen vrijwilligers dopen? Mogen vrijwilligers het avondmaal bedienen? Het is een sacramenteel issue.

De bijbelse teksten uitleggen en toepassen, dus het vak van exegese, hermeneutiek en homiletiek uitoefenen, dat mag allemaal wel, want daar komt het blijkbaar niet zo op aan en kan ook zonder dat. De bijbel is immers wat wel wordt genoemd “de bekende boodschap”? Pioniersplekken worden meermalen aangeduid met het motto: “de bekende boodschap in een vernieuwde vormgeving”. Dus bijbeluitleg wordt geen riskante onderneming geacht te zijn en degenen die zich onder het gehoor van een bijbeluitlegger (m/v) begeven lopen volgens de PKN geen enkel gevaar, maar bij doop en avondmaal is dat anders en loopt de dopeling, degene die een stukje brood aangereikt krijgt of een slokje wijn inneemt een aanmerkelijk risico. Daar wordt het dus ineens spannend en lastig. Daar moet de kerk op haar tellen gaan passen. Moet dan niet een academisch gevormd theoloog ten tonele verschijnen voor deze gewijde, ambtelijke handelingen?

Wie even dieper nadenkt concludeert al snel dat dat niet alleen een ridicule gedachte is, maar dat die wijze van doen in de praktijk niet -of hooguit met veel ergernis gepaard gaande- zal werken. Het is namelijk niet duidelijk te maken dat je om de bijbelse tekst uit te leggen weinig of zelfs geen opleiding nodig hebt maar om een stukje brood te breken of een bekertje wijn uit te reiken ineens wel academisch geschoold zou moeten zijn. Ik zou zelfs denken dat het eerder andersom is, en dat mensen, maar ook de samenleving als geheel, door bepaalde bijbeluitleg best gevoelige schade kunnen oplopen, welbeschouwd meer dan door brood en wijn te nemen, maar daarmee bevind ik mij als een roepende in de woestijn, zoveel is me wel duidelijk. Vandaar dat het rapport deze inleidende vraag over de dominee die zou moeten worden ingevlogen voor een doop, met een duidelijk “neen” beantwoordt en een weg opent voor vrijwilligers om in zo’n kerkplek -als bijvoorbeeld een kliederkerk of een andere pioniersplek- predikant te worden, zij het met een vijftal daaraan verbonden voorwaarden, zoals een korte AD-opleiding (twee-jarig associate degree), P.E., leergemeenschap, supervisie van een predikant(e), etc.

Het rapport B.E.M., “Baptism, Eucharist and Ministry” uit 1982, meestal aangeduid als: Lima, wordt op niet al te heldere wijze te hulp geroepen. Op bijvoorbeeld pag 49 lezen we: “Het Lima-rapport geeft een beeld van wat in de oecumene als wezenlijk gezien wordt voor het ambt. Daarbij blijkt dat de ordinatie of bevestiging wezenlijker is dan een academische opleiding”. Deze gedachte die men bij Lima als het ware “leent” wordt enkele malen herhaald zodanig dat het een leidende gedachte is geworden. Hierbij wordt de titel van het boek van dr. Margriet Gosker genoemd in een noot, een boek uit 2000, maar niet dat wat zij zei in 2007 voor de Raad van Kerken in Nederland, waarbij ze vragen stelt bij de doorwerking van Lima. Met name over het ontbreken van Lima in het dienstboek van de Protestantse Kerken in Nederland: Lima wordt daar wel genoemd, maar niet opgenomen. Lima heeft bij de bevordering van de Oecumene en de ene doopgemeenschap met Rome een bescheiden maar zeker geen beslissende rol gespeeld. Het effect van Lima, zo besluit ze, is onzichtbaar klein, maar “de oogst van B.E.M. is niet verschrompeld of verrot.” dr. Gosker spreekt in 2007 nog van het bestaan van een “Post-Lima-Depressie”. Nergens wordt mij duidelijk dat de PKN nu ineens uit die depressie heeft weten te geraken. Dus waarom nu zo leunen op Lima? Is dat dan wel oprecht?

Mijn vraag is: waarom wil de PKN zo graag de pioniersplekken binnen die kerk halen of trekken, en waarom zouden die niet als “Fresh Expressions”; of in het kader van “Emerging Church”, waar ik nog op terug kom, of werkelijk in de lijn van Lima veel vrijer dan wel oecumenischer op mogen groeien? Is dat nadelig voor die plekken of voor de PKN?

De PKN blijkt redelijk trots op haar pioniersplekken. Veelvuldig prijst de kerk zichzelf dat ze in staat is om zoveel verschillende nieuwe initiatieven te ontwikkelen. Daar valt wel het een en ander op af te dingen. Ik heb jaren geleden in 2008 zelf een nieuwe gemeenschap gesticht, samen met gemeenteleden en anderen, ook van andere kerkgenootschappen. Die nieuwe plek hebben we “Triskentijd” gedoopt, in een -zeker toen- Drachtster achterstandswijk. De plaatselijke kerk heeft niks gedaan aan het ontwikkelen daarvan, integendeel, die heeft zozeer tegengewerkt, dat deze pioniersplek (toen bestond het fenomeen pioniersplekken nog niet zo) zich bewust niet wilde aansluiten bij één van de kerken. En dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven. Triskentijd leeft nog altijd en is een stabiele, oecumenische pleisterplaats met veel aandacht voor elkaar, middenin een woonwijk waaruit de kerk is weggetrokken. Het rapport geeft aan dat veel pioniersplekken in Nederland grote moeite hebben om aan te sluiten bij de PKN-structuur. Maar is dat wel zo? Is het niet de PKN zelf die veel (te veel?) moeite doet om de pioniersplekken vooral PKN te laten zijn?

Opvallend is dus dat het rapport (“Mozaiek etc”) nogal “leunt”op het eerder genoemde rapport B.E.M., zeg: Lima; en dat er wordt gesteld dat met name de doop belangrijk moet zijn in pioniersplekken en ook gedegen geregistreerd moet worden. De doop wordt genoemd: het toetreden tot de kerkelijke gemeente, in concreto: de PKN. Maar Lima benoemt de doop nu juist níet: het toetreden tot de kerk, of de gemeente, maar een toetreden tot Christus. Daar komt bij dat het rapport van de PKN een erg mager en in mijn ogen onvoldoende definitie van kerk hanteert. Kerk is daar: waar twee of drie in mijn Naam bijeen zijn, daar ben ik, Jezus, in hun midden (Mattheus 18:20). Maar Jezus maakt die opmerking niet in het kader van de vraag naar wat een kerk is. Hij heeft het over de broeders, zeg even: “chabberim binnen de chebra”, die de gemeente tot zonde, afval van Pesach, verleiden, en mogelijk zelfs over de leiding van de gemeente (“uw oog”) die zo kan meeheulen met de maatschappelijke status quo, dat kinderen en mensen in een maatschappelijk zwakke of verslaafde positie daardoor meegesleept worden of ten val gebracht. Die broeders of leiders moeten worden vermaand of “eruit gezet” maar dat kan volgens Jezus alleen indien je met z’n tweeën of drieën getuigt tegen dat wat die broeders doen waardoor ze de kleinen in de gemeente laten vallen. Dat “twee of drie” in Mattheus 18: 20 slaat op het probleem in vers 16. Jezus heeft het dus niet over de “kerk”, althans als je de kerk met de opstanding van Jezus laat beginnen, of met de “Handelingen der Apostelen”(zie pag 4, dikgedrukt); wat je beter niet kunt doen. Het woord “kerk” is namelijk de nederlandse vertaling van het woord “ekklesia”, wat de griekse vertaling is van “Kehilla”, (meervoud “Kehillot”) de samengeroepen gemeenschap van mannen -onderweg- in de woestijn. Maar dit woord kan allerlei Joodse gemeenschappen betreffen en betekende soms gewoon het hele Joodse volk. Jezus heeft het dus over een hachelijk probleem in de bestáánde gemeente, niet over de minimale voorwaarde voor het ontstaan van een -nieuwe- kerk.

De generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk en die van de Gereformeerde Kerken in Nederland hebben besloten in het kader van ‘Samen op Weg’ een gezamenlijke reactie op te stellen voor de Commissie voor Geloof en Kerkorde van de Wereldraad van Kerken, waarin gereflecteerd wordt op dat Lima-rapport. De hervormde synode deed dat op 16 maart 1984 en de gereformeerde synode op 10 april 1984. Eén van de bezwaren die er tegen Lima worden ingebracht is dat Israël teveel ontbreekt. Alle argumenten in B.E.M. (Lima) komen volgens de beide synoden uit het Nieuwe Testament. En zo hoort het niet; die gevoeligheid daarvoor hadden de beide synoden toen blijkbaar nog. Want dit bezwaar tégen Lima blijkt nu vrijwel nergens meer een rol te spelen in het rapport “Mozaïek etc”. Dat rapport mag dan ook wel worden gekenschetst als uitsluitend Nieuw-Testamentisch gedacht en beredeneerd. Een hoogst enkele keer komt Israël nog even om de hoek, bijvoorbeeld bij de idee dat een hoeveelheid van minimaal tien leden, als dat een besluit voor een kerkplek zou zijn, “losjes” zou aansluiten bij de Joodse traditie. Dat woord “losjes” is in dit verband wellicht veelzeggend.

Het rapport sluit graag aan bij de aktiviteiten van de apostelen. Ik weet niet waarom. Misschien wordt dat ingegeven door “Back to Basics”, waarbij de basics eenzijdig bij de Handelingen der Apostelen worden gelegd. Lima spreekt echter van: de unieke en onherhaalbare ambtelijke dienst der apostelen. Dat zou ons in onze ambtsopvatting een beetje terughoudend moeten laten zijn.

Pagina 38 van het rapport is daarbij wel de meest akelige, denk ik. Eerst is er een gedeelte over de joodse besnijdenis, in pejoratieve zin, -een gedeelte dat theologisch zo onder de maat is dat dat maar beter onmiddellijk geschrapt zou moeten worden. Alsof de Joodse besnijdenis an sich bedóeld zou zijn om anderen buiten te sluiten. En dat terwijl Abraham een vader van alle gelovigen wordt genoemd toen hij onbesneden was en de opdracht krijgt om zijn kinderen te besnijden om te beseffen dat dat “vader van vele volkeren” zijn niet uit potentie of procreatie voortkomt. Daar wordt in een noot ook nog aan toegevoegd dat besnijdenis in die tijd niet bijzonder was en ook bij andere volkeren voorkwam. Kwam?

Waarna de tekst van het rapport vervolgt met: het kantelende beeld in het Nieuwe Testament. Een gevaarlijke aanduiding. Er kantelt namelijk niets! Dé kwestie in het Nieuwe Testament is deze: legt Jezus het goed uit, dat de Grieken, de volkeren, erbij horen, zoals Micha bijvoorbeeld riep, of legt Jezus dat vals uit en verkoopt hij de zaak van Israël voor een appel en een ei aan de heidenen? Daarover gaat het conflict. Maar het rapport gaat daar niet op in. Er wordt uitgegaan van een nieuw ontstane gemeente (blijkbaar die “twee of drie” uit het citaat van Mattheus 18) waar “door geloof dat blijkt in de doop” (?) allerlei mensen mogen toetreden: slaven en vrijen, bijvoorbeeld, maar ook Joden en Grieken en mannen of vrouwen, om zomaar wat groepen te noemen. Ik zeg “zomaar” omdat het rapport op een opvallende manier Paulus citeert. Letterlijk schrijft het rapport namelijk: Door geloof dat zichtbaar wordt in de doop kan iedereen, slaaf of meester, Jood of Griek, man of vrouw (let op de volgorde) deel van de gemeente worden. Er ís dus een gemeente. Die bestaat uit gedoopte protestanten, moet ik het me zo voorstellen? -en daar kan vervolgens iedereen wel deel van worden?

Dit moet echt anders. Op deze plek hebben de schrijvers van het rapport onnodig of onnozel of moedwillig, dat kan ik zo niet bepalen, de beslissende volgorde, die Paulus heel bewust hanteert, veranderd. En dat is geen sinecure. Paulus heeft het namelijk allereerst, en vooral, over: Joden en Grieken. De hele brief aan de Romeinen bijvoorbeeld is één groot pleidooi om Joden en Grieken binnen de ene synagogale gemeente van Rome bij elkáár te houden. Het grote schisma dat Paulus vreesde was namelijk de breuk tussen: Joden en Grieken, die in de messiaanse gemeente zou kunnen ontstaan.

Bij Paulus is gemeente dan ook niet een kerkelijk instituut of een kerkplek waar -naast allerlei anderen- ook bijvoorbeeld Joden zich wel bij aan zouden mogen sluiten of bijvoorbeeld vrouwen. Bij Paulus is gemeente: dat “lichaam” waar Joden en Grieken het samen úithouden! En vervolgens, annex daaraan: slaaf en vrije. (Niet voor niets is er een brief aan Filemon opgenomen in de canon. Het gaat om slaaf én vrije, in één gemeenschap! Bijna net zo’n hachelijke tweespalt als die tussen Joden en Grieken in die ene gemeenschap). “Man of vrouw” noemt Paulus niet. Hij heeft het over “mannelijk en vrouwelijk”. Meer over “gender” dan over individuen dus, die óf een mannetje óf een vrouwtje zijn. Kan er bijvoorbeeld al genderneutraal in LRP worden geregistreerd? En is er ook plaats in die registratie voor transseksuele volgelingen van Christus?

Wanneer de PKN een studie gaat maken over het ambt dan dient men -wat mij betreft- eerst tot een beter verstaan te komen van het begrip “kerk”, of “ecclesia”, vanuit de veelheid van bijbelse teksten en niet uitsluitend vanuit het Nieuwe Testament. Met name het begrip “soma” bij Paulus dient daarbij dan zorgvuldig te worden gewogen en in overweging genomen (overigens is dat al een keer gedaan in het proefschrift van dr. J. J. Meuzelaar, Der Leib des Messias, 1961).

Er wordt in “Mozaiek etc” heel zijdelings gerefereerd aan het Engelse rapport “Mission Shaped Church”. Dat is opvallend, want dat rapport gaat veelmeer uit van het gegeven dat de Anglicaanse Kerk aan het einde van een levenscyclus is gekomen; en dat de “Fresh Expressions” die in Engeland ontstaan moeten worden gesteund, met know-how, of geld, of gebouwen, maar dat die niet van de “Anglicaanse Kerk” kunnen zijn, of zo snel als mogelijk daarbinnen moeten worden opgenomen, want dan zouden ze onderdeel worden van een structuur die ophoudt te bestaan. Om dat goed neer te zetten heeft de Anglicaanse Kerk een doordacht rapport uitgebracht. Aanvaard van hoog tot laag in die kerk. In “Mozaïek, etc” wordt die wijze van werken afgewezen en wordt gesteld dat de PKN het liever anders doet en met de praktijk begint. Theorie komt dan later wel. Waarvan akte. Maar een goede keus was dat misschien toch niet.

Een voor ons onderwerp van belang zijnde beweging van vandaag de dag is misschien wel de -al eerder genoemde- Emerging Church Movement, of Emerging Conversation omdat men in die beweging huiverig is voor het woord “church”. Maar daarover vind ik niets in het rapport, helaas. Dat is jammer want dat betreft een wereldwijd doorgaand gesprek, een steeds ontmoeten (conversation) dat willens en wetens los wil staan van de bestaande kerk, en dat -opvallend genoeg- door wetenschappers als prof. dr. Phyllis Tickle als een “New Reformation” wordt gekenschetst. Ook daar staat of valt het hele ontstaan (emerging) van nieuwe plekken bij de gratie van het feit dat er géén kerk is die dat initieert en vervolgens wil besturen, beheren of misschien “inpalmen”.

Dr. Coen Constandse heeft er in Nederlands Dagblad van 2 mei op gewezen dat de toon binnen de PKN al jaren predikant-onvriendelijk lijkt. Ze vernieuwen niet, ze pionieren niet, ze studeren niet, ze doen slechts de gewone dingen: preken en pastoraat. Beide kunnen anderen ook, en misschien wel beter, dus wat hebben we aan die te dure dominee’s? In zo’n klimaat is het logisch en begrijpelijk dat predikanten voor hun ambt opkomen. Even logisch is het dan dat HBO-opgeleiden dat daartegenover ook doen, want die zijn dan wel de goedkope alternatieven waar de kerk dol op lijkt te zijn geworden, maar dat heeft zich nog niet vertaald in een behoorlijke rechtspositie, om maar iets te noemen. Zo komen kerkelijk werkers en predikanten tegenover elkaar te staan terwijl ze dat niet willen en er zelf ook geen enkele baat bij hebben.

De argumenten worden ook naar. Predikanten zeggen dan: wij kunnen grieks en hebreeuws lezen en dus zijn wij niet afhankelijk van de eenzijdigheden van vooral de moderne en “begrijpelijke” vertalingen. Wij als predikanten weten en kunnen weten dat de Bijbel niet “de bekende boodschap” is die nodig in een andere vormgeving gegoten dient te worden, punt voor de pionier, maar dat dat een aan de westerse cultuur vreemde Joodse stem is. Niet de stem ván onze cultuur, maar kritisch tegenóver onze cultuur. Daar valt heel veel op af te dingen. Hoeveel predikanten houden hun klassieken nog voldoende bij? Het valt mij niet mee moet ik zeggen. Nogal wat gemeenteleden en kerkenraden hebben er een broertje dood aan, aan een predikant die studie maakt van deze “vreemde” teksten, en vinden dat “zonde van die dure uren”, die eraan worden besteed dan wel verknoeid.

Maar er is meer. In 1983 promoveerde dr. Takatso Mofokeng in Kampen op een belangrijk proefschrift getiteld “The Crucified among the Crossbearers” waarin hij aantoont dat de maatschappelijke positie waarbinnen over de gekruisigde gedacht en gesproken wordt bepalend is voor de christologie. En dat niet bij wijze van nuance maar radicaal. En daarmee bepalend voor de visie op “church”, een thema dat bij de onderhavige discussie te weinig wordt meegenomen. “The western-trained pastor is an impediment to the emergence of an African form of worship” luidt een stelling uit het proefschrift van Mofokeng. Terwijl een eerdere stelling luidt: “The class position of the general membership of the African Independent Churches safeguards these Churches from Constantinian co-optation.”

Als we nu in het vervolg van de ontwikkeling van kerkplekken dat laatste serieus zouden nemen: die door Mofokeng waargenomen en te vermijden “Constantinian co-optation”… Zou het niet een stap verder kunnen betekenen wanneer pioniersplekken dat in beeld zouden kunnen brengen of praktijk laten zijn? Ik zou daar heel blij van worden en ik meen dat in Nederland prof. dr. Andries Baart met zijn “Theorie van de Presentie” daarin goede diensten zou kunnen bewijzen.

Dan raken we ook een beetje weg van al te flauwe argumenten, die namelijk suggereren dat HBO-werkers minder hebben geleerd en “dus” meer geloven. Dat het bij hen geloof “uit het hart” is. Of dat de discipelen ook maar “eenvoudige ex-vissers” waren. Want dat we minder zouden moeten geloven is juist heel belangrijk. We geloven teveel, allerlei geloof dat ons in die Constantinian co-optation gevangen houdt. En de belangrijkste schrijver van het Nieuwe testament, Paulus, was dan wel een tentenmaker, maar meer nog dan dat was hij een Farizeese, degelijk opgeleide rabbijn die onwaarschijnlijk goed thuis was in de teksten van Tenach en Talmud.

Daar -bij dat “teveel aan geloof”- hoort naar mijn idee ook het latente antisemtisme waaraan de kerk te vaak schatplichtig is of zelfs -onbedoeld, dat wel- een bijdrage aan levert, ook in dit rapport. Ik heb onlangs nog een voorbeeld daarvan gegeven in een blog over de “ongelovige (Jood) Thomas” die zou moeten ophouden met dat ongeloof en in plaats daarvan zou moeten gaan geloven. Geloven zoals wij, christenen, die niet zien, zoals hij, en “toch”geloven. We moeten veel gevoeliger worden voor de kwestie of op al die plaatsen in de bijbelse teksten waar Jezus of Paulus het over “zij” of “jullie” of “wij” hebben, om over de Psalmen bijvoorbeeld maar niet te spreken, wel de Nederlandse Protestanten van 2019 bedoeld zijn, terwijl dat nog maar helemaal de vraag is.

Dat de schrijvers van de boeken van de Bijbel ongeletterde mensen zouden zijn geweest, “eenvoudige vissers”, wat ik dus regelmatig voorbij zie komen als argument -die dan plotseling wel goed ingevoerd blijken te zijn in de teksten van Thora en Nebiim en van Talmud- is in mijn ogen onzakelijke romantiek die in een geuzen-contekst wel begrijpelijk is maar in een tweespalt tussen HBO-kerkelijk werkenden en predikanten meer kwaad dan goed zal blijken te doen.

Tot slot… als deze hele exercitie toch een bezuiniging zou betreffen, laten we het dan in vredesnaam ook zo benoemen en er zo mee omgaan. Dan gaan we bezuinigen. Koud.

Dan zullen we onze ogen niet kunnen sluiten voor wat zich dreigt te ontwikkelen: goedkope predikanten op de kerkplekken zullen aantrekkelijk zijn voor kleine gemeenten waarvan sommige steenrijk zijn maar andere straatarm. Rijke kleine gemeenten zullen rijk willen blijven. Arme gemeenten zullen geen predikant kunnen betalen. Maar ik voorspel, deel uitmakend van een grote gemeente van meer dan zesduizend leden, dat óók grote gemeenten zullen vallen voor het laaghangend fruit van de goedkope predikant met een AD-opleiding…

Bezuinigen dus. Maar niet door dom te doen. En laten we dan niet proberen daar iets heel moois van te maken. Want zoals je van de nood van het schisma, de breuk die er helaas wél gekomen is tussen Joden en Grieken en die onder Constantijn is geformaliseerd, ook als staatskerk, geen deugd mag maken, alsof dat zo heeft moeten zijn, of er Gods bedoelen in zien, zo moeten we liever van de nood van te moeten bezuinigen ook niet te vlot een deugd maken door er trots op te wezen dat we als PKN zulke voorspoedige initiatieven aan het nemen zijn.

Become a Patron!