Het roepen van Jezus Christus en het gekrakeel van Thierry Baudet

Genesis 1: 1 – 5
In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren.
En God riep: Er zij licht; en er was licht. En God zag, dat het licht goed was, en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.

 

Johannes 12: 44 – 47
Jezus riep en zeide: Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem, die Mij gezonden heeft; en wie Mij aanschouwt, aanschouwt Hem, die Mij gezonden heeft. Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat een ieder, die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijve. En indien iemand naar mijn woorden hoort, maar ze niet bewaart, Ik oordeel hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, doch om de wereld te behouden.

 

Alles wat Jezus zegt is belangrijk. Maar als Jezus iets roept dan moeten we zijn woorden wel héél serieus nemen, zou ik zeggen. Als je in Jezus gelooft dan geloof je in een heel bepaalde God. Niet God-in-het-algemeen. Want daar gelooft de hele wereld wel in, op een bepaalde manier. Vaak zit de religie zo aan de oppervlakte dat er al snel sprake is van hete hoofden. En koude harten. Een sterk staaltje daarvan hebben we kunnen horen in de toespraak van Thierry Baudet. Die aangeeft “geroepen te zijn naar het front”. Erg glibberige taal vind ik. Hij varieert de woorden van Jezus, die tegen Simon zei: “Jij bent Petrus, rots, en op deze rots zal ik mijn gemeente bouwen”. Baudet zegt ongeveer hetzelfde: “Op die rots zal ik mijn zuil bouwen”.

Een heel bedreigende zuil, die mensen uitsluit die niet blank zijn en die pal staat voor de “boreale cultuur”. Boreaal is al een oud woord en betekende oorspronkelijk: het noordelijke deel van de wereld. Het is een term die vooral opkwam in Nazi Duitsland om er de Arische cultuur mee aan te duiden en het Derde Rijk. Een woord dat na de oorlog nooit meer is gebruikt in politie-culturele zin maar dat in onze tijd met name door de rechts-extreme Le Pen weer is opgevist en in gebruik is genomen als ideaal: het beschermen van een blank ras. Blank, Europeaans en christelijk.

Je moet eigenlijk zeggen: wit, want blank is volgens mij geen neutraal woord. Zwart en wit wel, maar blank suggereert maagdelijke onschuld. Blank heeft iets onbesmets, blank is zuiver. Een blank ras is een zuiver ras. Dat uitziet op de blanke top der duinen. Het is dus een zuil die witte mensen insluit, wit en christelijk tegenover zwart en barbaars, en die de boreale cultuur maakt tot de schoonste cultuur die ooit onder de sterrenhemel tot stand is gebracht, met de mooiste muziek, de prachtigste architectuur en meer van dat soort fraaie dingen voor de mensen. Maar in de kerk zingen we Psalmen. En lezen we teksten uit een alles-behalve boreale cultuur.

Wij zijn oorspronkelijk germanen, cultureel gezien, maar zijn door Jezus “van Israël” geworden. En we hebben het geloof in de algemene goden van de Germaanse religie: Wodan, Donar en Vrija, waar onze dagen naar genoemd zijn: woensdag, donderdag en vrijdag, huishoudende in het Walhalla op dezelfde wijze als Zeus, de almachtige oppergod, dat doet in het Pantheon, -hebben we afgelegd en spannen ons in, elke dag opnieuw, om de woorden van de God van Israël te leren verstaan. En van de messias van Israël, Jezus Christus. Alles wat Jezus zegt is belangrijk. Maar als Jezus roept moeten we zijn woorden wel héél serieus nemen. Als we dat niet doen dan donderen de opvattingen van de germaanse goden in no-time bliksemend ons brein binnen.

Dan zitten we zo weer op het oude spoor. Het spoor van goed en slecht. Van eeuwige beloning en eeuwige straf. Van heldendom en heldenmoed dat zich afkeert van wat zwak is en kwetsbaar. De germaanse Goden die ons dwingen eerbied te koesteren voor bloed en bodem en ras en raszuiverheid in een allesomvattende onbetwijfelbare standvastige religie. Allemaal zaken waarvan Messias Jezus wil dat we er juist helemaal geen eerbied en ontzag voor hebben. Omdat ze ons klem zetten en klein maken en de weg banen voor een sterke man. Een held. Een halfgod. Iemand die heroïsch verklaart, door middel van een godsdienstige toespraak op de avond van de verkiezingen middenin de veertigdagentijd -verklaart “geroepen te zijn aan het front” om daar als voorman de strijd aan te gaan. Om daar als ‘sterke man’ te strijden tegen alles wat verderfelijk is. Universiteiten, politici, journalisten, parlement, klimaatgekken, en ook architecten, zoals Remko Koolhaas.

Rem Koolhaas, een geboren Rotterdammer, heeft Rotterdam opgebouwd nadat het door Nazi Duitsland was verwoest. En Baudet noemt Remko Koolhaas vervolgens: “de grootste misdadiger tegen de menselijkheid”, soms snap je niet dat kiezers deze samenhangen niet begrijpen… Mijn stad! Onmenselijk geworden… nadat ik mijn hele leven bouwbedrijven aan het werk heb gezien, die de stad van “woest en leeg” gaandeweg een bouwkundig… -nou paradijs zal ik niet zeggen, maar het mag er zijn. Met de creatieve scheppingen van Rem Koolhaas.

Lieve mensen, ik schrik me soms een ongeluk van het land waarin we leven. Het is allemaal wel heel erg “wij tegenover zij”. Wij, wij zijn van elkaar, en zij, zij zijn de anderen. Wij denken normaal en zij denken vreemd. Wij zijn goed en zij zijn slecht. En als zij er nu maar niet zouden zijn… dan was alles goed.

Het nare van dit alles is dat zo’n manier van denken meestal niet aan de kerk voorbijgaat. Rooms, Hevrormd, Gereformeerd, Pinksteren, dat maakt niet zo heel veel uit. Ik ben ook opgevoed met een wij en een zij. “Dat doen wij niet”, zij mijn moeder dan. “Wij doen dat niet, dat wat anderen allemaal doen.” “Waarom niet? Nou gewoon daarom niet…” Had dan vooral te maken met hoe je de zondag probeerde door te komen. En wat te veraangenamen door het kopen van een ijsje, bijvoorbeeld. Het was ook niet zo makkelijk om je te onderscheiden. Als het op geld verdienen aankwam, of huizen kopen; oorlog voeren in Indonesië, of seksuele zuiverheid.

Eigenlijk merkten mensen voortdurend, of voelden dat zo aan, zonder daarvoor uit te durven komen: dat vreemde, dat vragende, die twijfel… dat zit niet in die ander, aan de andere kant van de muur. Dat zit in ons zelf!

Daar hebben veel kerkenraden en kerken zich tegen verzet. Twijfelen mocht dan wel, soms, even, maar niet voor lang. En het moest ook weer overgaan. Je moest het namelijk zeker weten. Je bent alleen maar behouden als je zeker weet dat je behouden bent. En dat is de reden, als je het mij vraagt, dat de kerk op dit moment geen succesvolle periode doormaakt. De ongelooflijke en ook ongeloofwaardige druk van het zeker moeten weten eist zijn tol.

Het is dan ook niet te doen. Want wat is goed? En hoe goed moet je zijn? Hoe goed is dan goed genoeg? Goed genoeg om niet te worden veroordeeld… Hoe hoog ligt die lat? Jezus Christus wil ons bevríjden van dat zeker moeten weten. Zeker weten dat je het goed doet en niet tot de verworpenen behoort. Dat je een blanke ziel hebt.

Het is dus niet zo dat je het zeker moet weten om vervolgens op grond daarvan door Christus te worden behouden. Christus wil je vast en zeker behouden juist omdat je het zelf nooit zeker weet. Jezus Christus wil je bevrijden van die gereformeerde religieuze godsdienstige kramp en je laten weten dat die twijfel, dat onzekere, dat besef dat het allemaal verrekt ingewikkeld is en je het soms ook niet meer weet… -dat dat allemaal niet in die ander zit, maar in jou zelf! Die ander zit in jezelf. Je bent vaak jezelf tot een vreemde. Wij allen. Wij zijn allemaal onze eigen vreemdeling, bij tijden. En hebben dus iemand nodig.

De man langs de kant van de weg van Jericho naar Jeruzalem, had iemand nodig: een Samaritaan. Een wat? Voor Borealisten is dat vloeken in de kerk: een Samaritaan, ja. Dat vertelt althans Jezus en Jezus, moet je toch zeggen, was op de keper beschouwd een Aramees sprekende Palestijn.

De vreemdeling is niet de ander. De vreemdeling zit in ons zelf. De twijfel en het niet zeker weten hóórt bij ons, bij ons allemaal.

Zijn we dan allemaal verloren? Nou ja, nee, wat heeft het voor zin om dat te zeggen? We zijn allemaal mensen! Maar we worden ónmensen als we geen twijfel meer toelaten, als we deze roep van de Messias verwerpen en denken -met ónze zekerheden- God, welke god dan ook, een dienst te moeten bewijzen. “God wil het” roepen we dan en steken dan met onze kanonneerboten van wal. “In naam van Allah” “Allahu Akbar” “God roept ons, broeders tot de daad, Zijn werk wacht, treedt dan aan”

Als Jezus roept, dan roept hij wat ánders. Heel wat anders. “Indien iemand naar mijn woorden hoort maar ze niet bewaart, het niet kan volhouden op de één of andere manier, ik veroordeel hem of haar niet. Ik veroordeel mensen niet, die het niet elke dag zeker weten. Ik ben namelijk helemaal niet gekomen om te oordelen maar om te bevrijden, te bevrijden van godsdienstige kramp. En angst. “Doe ik het wel goed? Tel ik wel mee? Word ik wel gezien?”

Jezus zegt: Ik ben in de wereld gekomen als het licht in de duisternis. De duisternis is namelijk niet te bestrijden. Je kunt tegenover duisternis zoveel andere duisternis stellen als je wilt je kunt geweld met nog meer geweld beantwoorden, de ene duisternis zal nooit de andere duisternis verslaan. En dat blanke boreale Europa dat zich teweer stelde tegen de Barbaren en tegen de Islam, wat zo’n beetje hetzelfde was, en tegen de Joden, die in het Derde Rijk de anderen waren die het paradijs verhinderden… Dat blanke Europa is niet zo blank. Het is vooral wit. En agressief. Met duisternis bestrijdt je geen duisternis. Want duisternis heeft geen natuurlijke vijanden, op één na: Het licht. Eén ding waar de duisternis niet tegen kan: het licht.
In het scheppingsverhaal lezen we dat de aarde zich voordeed als duisternis, “woest en ledig”, vol geweld en narigheid betekent dat. Zoals de wereld zich nog wel voor kan doen immers? Maar de schepper laat dat niet zo en gaat de duisternis bestrijden. Met de enige natuurlijke vijand die de duisternis heeft. En God riep: “Er zij licht”, en er wás licht. En God zag dat het licht goed was. De duisternis niet. Dat is Gods vijand namelijk. Het licht, daarvan zegt God dat dat goed is. Goed namelijk om de duisternis te laten wijken.

“Ik ben in de wereld gekomen als een licht opdat iedereen die met mij mee hoopt op een einde aan de duisternis -op het aanbreken van de dag- niet in de duisternis blijft. Niemand moet namelijk in de duisternis blijven.”

We leven, allemaal, van het duister naar het licht. Daarom staat er ook in Genesis: het was avond geweest (duisternis dus) en het was morgen geweest (daglicht) dát is: een dag. Zoals die eerste dag, zo leven we alle dagen: van de duisternis naar het licht.

Dus kunnen we alles loslaten. Geen hete hoofden en koude harten maar andersom. Het hoofd koel houden en het hart warm. Dat de Heer ons vasthoudt is namelijk veel belangrijker dan dat wij Hem vasthouden. En als de Heer niet iedereen veroordeelt die twijfelt dan moeten wij dat ook niet doen. En als wij dat niet doen, de ander veroordelen, en inzien dat die ander in ons zelf zit, dan krijgen we lucht en ruimte om te leven. Te leven in dat wat onaf is, en rafelige randen heeft. Om licht uit te stralen. Want als je je door Jezus laat bevrijden uit de christelijke kramp dan zal zijn licht in jou beginnen te stralen.

Hoe je dat moet doen? Er spelen een paar dichtregels door mijn hoofd: van de dichter Angelus Silesius Latijn voor: Silezische Bode, of engel. De naam die Johannes Scheffler heeft aangenomen nadat hij in 1653 zich bij de kerk heeft gevoegd, En hij schrijft:

De roos kent geen waarom;
zij bloeit omdat zij bloeit;
zij denkt niet om zichzelf,
vraagt niet of men haar ziet.

De dichter ontkent niet dat de roos een reden heeft, of een ‘omdat’, een complex geheel van redenen en voorwaarden die de tuinier kent en die tot in detail zijn onderzocht door de botanicus. De dichter doelt op dat waar wij het nu over hebben, op die diepere, eerdere of ándere sfeer, waar de zoektocht naar redenen, oorzaken en effecten, waar de rechtvaardigingen en de veroordelingen zijn opgeschort. Waar al onze religieuze “waarom-daarom’s” zijn opgeschort.

De roos kent geen waarom; zij bloeit omdat zij bloeit; zij denkt niet om zichzelf, vraagt niet of men haar ziet.

1 thought on “Het roepen van Jezus Christus en het gekrakeel van Thierry Baudet

Comments are closed.