Je Persoonlijke Plezierpiek, Kerst 2019

Er is geen verraderlijker feestje dan het kerstfeestje. De balletjes zijn hol, klokjes klingelen niet, het sterretje heeft een ledlampje, het boompje is afgezaagd, terwijl het piekje maar niet rechtop wil blijven staan.

Ook met de mitraillade aan reclame van: Lidl, Plus, Jumbo, blijft het klein. Opgeblazen. Dat wel.

Waarom zijn wij mensen hier? Om gelukkig te zijn? En als het niet meevalt om gelukkig te zijn, nemen we dan genoegen met twee dagen instant geluk? Varkenshaasjes-vrolijkheid?

Dat we ertoe doen. Daar gaat het om. Dat het zin heeft dat we er zijn. Niet “Het Leven” heeft zin, maar uw en jouw leven, daarin ligt een unieke zin en een persoonlijke betekenis verborgen die alleen jij zelf kunt ontdekken.

En geluk… dat is niet na te jagen. Zodra je daaraan begint ontsnapt het je. Streven naar geluk, als levensdoel, is een vergissing, zoals we bij de Joodse psychiater dr. Viktor Frankl kunnen leren. Nee, dat uw leven ertoe doet, daar gaat het om. En dan komt geluk als een bijproduct vanzelf wel mee.

Maar hoe werkt dat dan?

Laat ik beginnen met vast te stellen dat Jezus, dé reden om dit feest te vieren nietwaar? -dat Jezus géén godsdienst-stichter is geweest. Hij is niet gekomen om zoiets als het Christendom op te richten -dat je toch maar het best aan de laatste drie letters kunt beoordelen. Trouwens evenmin het Jodendom, want dat bestond in het jaar nul feitelijk nog niet. Het Jodendom is namelijk een verdedigende reactie op de keizer in Rome, die al snel christen werd en als christen de Joden begon te vervolgen.

Wat dan wel? Wilde men in Israël óók een God, net zoals de Grieken en Romeinen die bezaten in soorten en maten? Een heel Pantheon vol? Nee.

Ik neem u even mee naar het Ierland van Seamus. Seamus heeft een boerderij en een oom in Amerika. Er wonen miljoenen Ieren in de Verenigde Staten. En oom wilde eens op bezoek bij zijn neef op het Ierse platteland. Leek hem een mooie bestemming voor de kerstdagen.
‘Wel neef’, zei oom, na de derde Guiness. ‘Laat je bedrijf eens zien.’
‘Welaan,’ zei Seamus en ze stapten de achterdeur uit.
‘Kijk daar ziet u die geknakte boom daar?’
‘Jazeker’, zei oom.
‘En daar, aan de andere kant die verroeste tracteur?’
‘O ja, ik heb ‘m.’
‘Nou, daartussenin tot aan de sloot daar, dat is mijn boerderij.’
Waarop oom zegt:
‘Beste neef, als ik in mijn auto stap en ik geef gas, dan kan ik wel twintig minuten rijden en dan ben ik nog steeds niet aan de grens van mijn land.’
‘Ach oom’, zegt Seamus, ‘Zo’n auto heb ik ook gehad.’

Het gaat om een verschillend perspectief. Daarom nog eens onze vraag: Wat willen de schrijvers van het Nieuwe Testament, die profeten in Israël, nakomelingen van slaven in Egypte, want dat zijn ze feitelijk, -wat willen zij toch met dat kind dat geboren wordt? Zij willen een “Mind shift”, een kanteling, in het denken tussen: Hoog en Laag. Plato op zijn kop, dus eigenlijk.

Nemen we in gedachten een bekend Nederlands kerstliedje. Herman van Veen kan het prachtig zingen op één van zijn vele kerst-cd’s. Ja iedereen heeft zo zijn of haar verdienmodel. U kent het:
‘Nu zijt wellekome Jesu lieve Heer.’
Maar kent u ook de tweede regel?
‘Gij komt van als Hoge, van alzo veer.’
Dat is het punt.

Dus, kort gezegd: de profetenschrijvers vertellen van een vluchtelingenkind te Bethlehem waar onmiddellijk op wordt gejaagd om dat kind om te brengen, en dat opnieuw naar Egypte moet vluchten; met mee-reizende familieleden zeg maar even, -een vluchtelingenkind dat dus zogezegd: “van boven” komt. Hou dat even vast, dat Bijbelse perspectief; dat dat kind vanuit de Hoge komt. Dat hebben we straks nodig namelijk.

Dan wijs ik u nu op het bedrog van de “Westerse” Kerst die meer nog dan in de balletjes, de boompjes en het piekje vormgegeven werd en wordt in talloze kerstverhalen, die door goed bedoelende voorzitters van de plaatselijke christelijke pluimveefokvereniging op de jaarlijkse kerstfeestvieringen worden voorgedragen. Die verhaaltjes kun je zelf makkelijk maken. Ik zou ze per meter kunnen leveren. Van een jongetje of meisje, of desnoods een hond, door een wending van het lot verloren geraakt in de barre sneeuw en die dan met een warm neusje tegen de bevroren ruit van een groot verlicht huis naar binnen kijkt. Vervolgens -en dán treedt het bederf op- ontdekt wordt en door de heer des huizes wordt binnengelaten. Daartoe doorgaans een aantal treden van het immense bordes bestijgende terwijl die heer, met zijn eega op gepaste afstand achter hem, het opklimmende kind daar beneden welkom heet vanuit zijn geopende deur bovenaan. Het gaat altijd om kleine mensjes in de laagte en in het donker en grote verlichte en verwarmde huizen in de hoogte. En de vervalsing is dat het kerstfeest begint wanneer het kleine mensje toetreedt tot het copieuze kasteeltafereel.

Maar wij weten wel, niet bewust, maar dan toch onbewust, dat het andersom is, of zou moeten zijn. Dat de heer zich laat verbinden met de wereld van dat kleine mensje…

Dat is lastig om in te zien in onze westerse cultuur, die opgeblazen is, en sterk. We moeten namelijk hard zijn en niet week. Onze cultuur. Hard, sterk, robuust en solide. Maar van dat kindje Jezus wordt verteld dat hij vooral “zachtmoedig” is. Hij is geen heros, geen sterke held. Geen macho. Hij heeft niets machistisch aan zich, maar is veelmeer gevoelig.

Gevoeligheid als kwaliteit van leven. Hoezeer ook de christelijke cultuur daar niet meer van wil weten. En zich er zelfs voor lijkt te schamen. Gevoeligheid als dé menselijke kwaliteit bij uitstek. Dat klinkt natuurlijk ongelooflijk soft maar hoe soft ook, ik denk wel dat dat er keihard toe doet in onze betonnen wereld van eigen-ik-minibunkertjes. Waarbinnen we onszelf verdoven met leukigheid – áls het leven maar leuk is.

Maar af en toe zijn er moeilijkheden en dan vragen we ons af: waarom? Er is geen antwoord op het waarom. Er is alleen de gevoeligheid voor een sámen machteloos zijn, denk ik. Waarbij dat “samen” vervolgens plotseling niets “machteloos” meer heeft.

Als na de kerstdagen iemand aan u vraagt: Wat heb je gedaan met kerst? -en u zou antwoorden:
‘Nou, gewoon thuis op de bank gezeten, een praatje gemaakt en een spelletje gedaan’, dan bestaat de kans dat men u meewarig bij de arm beetpakt en vraagt:
‘Ach lieverd, gaat het wel goed met je? Is er wat?’
Gewoon thuis op de bank met een vriend, of je kind, of met je geliefde… dat is niet de bedoeling! Het leven moet groots en meeslepend zijn. Fantastisch willen we het hebben. Heel erg fantastisch. Vakanties moeten naar Vietnam of Peru, niet naar Appelscha of Kiel-Windeweer.

Maar het leven is niet altijd leuk. Het is ook weleens een beetje niet leuk. Een beetje naar, ietwat verdrietig soms. Mag dat? Of ben je dan rijp voor de psychiater? Want fan-tas-tisch is normaal. En wat daar niet aan toekomt is niet normaal, en dus: ziek. Nu ben ik geen psychiater maar dominee en ik hoor dat psychiaters handenvol werk hebben. De Belgische psychiater Dirk de Wachter wijst daar zeer overtuigend op. Terwijl dominees van de weeromstuit tegen steeds leger wordende kerken staan aan te bazelen.

Hoe kan zoiets? In het boek Genesis schrijft de verteller, ook zo’n profeet van Israël, dat God de mens in de Hof van Eden plaatst, om die hof -en dan volgen er twee woorden die bij elkaar líjken te passen- “te bewerken en te bewaren”.

In deze tijd zult u echter veel overdenkingen kunnen lezen en meditaties en preken kunnen horen die beweren dat God de mens de opdracht zou hebben gegeven om de áárde “te bewerken en te bewaren”.

Die overdenkingen en meditaties kloppen uiteraard niet. En die preken nog minder. Waarom niet? Omdat het verhaal van Genesis niet stopt bij hoofdstuk twee maar verder gaat in hoofdstuk drie. De mens raakt onder de indruk van de slang, dat mythische godendier, en alles blijkt mis. Dan wordt de mens uit het Paradijs verdreven. We zíjn dus niet meer in de Hof van Eden! En de opdracht om die “te bewerken en te bewaren” is dan ook passé. Definitief. In de tekst worden die twee woorden dan ook uit elkaar gehaald. De Here God is het die die weg naar de fantasterij van het eeuwige leven “bewaart”, staat er, -de weg naar het eeuwige leven afsluit met een flikkerend zwaard. De mens moet dat vooral níet bewaren dus. De mens daarentegen is namelijk bedoeld om: de akker te “bewerken” als een mens die werkt voor zijn eten, met zweet op z’n kop, en bij wie het kinderen baren niet zonder moeite is. Het leven doet soms ook zeer, ja. De mens is op de aarde, en niet in de Hof van Eden, niet in het ónwerkelijke Paradijs.

Is, zo kunnen we vragen, -is de mens dan bij wijze van straf uit het Paradijs gejaagd? Nee, niet voor straf. Veel meer juist tot zegen! Ook is de mens niet uit het Paradijs verdreven vanwege zoiets als de “zonde” want het woord “zonde” komt in dat hele paradijsverhaal niet voor!

Geen straf maar zegen. En Jezus is dus niet geboren om de mens weer in dat Paradijs terug te brengen, -voor zover die christen is, dat dan weer wel- maar juist om de mens ertoe te bewegen het leven zoals het wérkelijk is te aanvaarden. In de Hof van Eden begon de mens namelijk onwerkelijke dromen te dromen van: als-God-te-zijn! De mens is niet geschikt voor een Paradijs en een Paradijs niet voor de mens. Het mensenleven is namelijk niet altijd fan-tas-tisch! Het is ook weleens een beetje pijnlijk. Zo nu en dan.

Ik pleit niet voor somberheid. Natuurlijk mag het best gezellig wezen, graag zelfs. Maar vergeet niet dat het leven niet alleen maar rozengeur en maneschijn is. Het is ook weleens regen en ijskoude wind. Volgens Genesis is dat niet een reden om naar de psychiater te hoeven. Als je dat ervaart, dat het ook weleens wat moeilijk is, dan is er namelijk niets met je mis. Integendeel. Die mensen voor wie het leven dag in dag uit heel erg fantastisch moet zijn leven in een gefantaseerde droomwereld. Die niet werkelijk is. Uit die droom is de mens wakker geroepen. Ontwaakt.

“Een verstóórde Paradijsdroom”, zo zou je het hele project van de profetie van Israël kunnen noemen.

Het kind Jezus is niet geboren om die verstoorde droom weer te repareren maar om mensen opnieuw en voorgoed uit die droom te doen ontwaken. “Ontwaakt, gij die slaapt, en sta op uit de dood!” luidt het devies in de Schriften. Gericht tot mensen die menen te leven maar een leven leven dat geen leven is.

Het kind is gekomen om mensen te bevrijden van de terreur van de jacht naar geluk. De “freedom of the pursuit of happiness”.  die geen vrijheid is maar ernstige verslaving. Daarvan te worden bevrijd, dát is kerst. Hoe eerder we namelijk het leven leren liefhebben met alle ups én downs, hoe beter we ertegen kunnen; waardoor een bezoek aan de psychiater misschien niet zo hoeft, tenzij je echt niemand hebt die naar je wil luisteren. Het is namelijk werkelijk gelukzaliger te leven met beide benen op de grond dan met je hoofd in zo’n rare wolk. Een praatje met degene naast je op de bank, over wat je samen meemaakt en hoe je samen de dingen beleeft; je angsten en je verlangens, een lach en een traan, misschien is dat het wel, gewoon! Dat je bijvoorbeeld vraagt: ‘kan ik wat voor je doen?’ Dáár gaat het om. Dat je de ander die iets heeft, bij wie het even niet zo lekker loopt allemaal, zegt: ‘Vertel me je verhaal. Wat gebeurt er allemaal?’

Dat je niet wegloopt zodra het moeilijk wordt, maar dat je dan juist blíjft en vraagt: ‘Kan ik wat voor je doen?’

Volgens de Litouwse filosoof Emmanuel Levinas, die vluchtte voor het communisme in Rusland en daarna voor het nazisme in Duitsland en die Hoogleraar werd aan de Sorbonne in Frankrijk -volgens Emmanuel Levinas is het dát, wat een mens tot mens maakt: dat je de ander vraagt: ‘Hoe is het met je? Kan ik wat voor je doen?’

En als wij dat aan een ander vragen dan is het volgens Levinas zo, dat die ander níet de hulpeloze is, maar -omgekeerd- de hélpende. Degene die ons aankijkt, met vragende ogen, hélpt ons, redt ons namelijk uit het dodelijke isolement van onze fantastische maar o-zo eenzame levens.

Het gelaat van de Ander roept ons tot leven. Het leven wordt geboren op het moment dat de Ander ons aankijkt. En, zo zegt Levinas dan, die ander die ons aankijkt, die komt “uit de Hoge!”

Levinas is misschien wel de belangrijkste filosoof binnen onze westerse moderne cultuur. Het is moeilijk om hem te lezen, want het is allemaal Frans en lange zinnen. U kunt de werkwoorden niet vinden en u komt ook steeds maar geen punt tegen. Maar hij zegt het beter en meer onderbouwd dan ik het nu kan zeggen.

Mensen die de wereld top-down willen beheersen, zijn een ramp. Die het antwoord op alle vragen hebben. Die, als zij de leiding zouden hebben, met een krachtdadige politiek alles recht zullen zetten. Doodeng. Maar bottom-up, kleine, haast onmerkbare medemenselijkheid, “la petite bonté”, zo zegt Levinas het, dát is wat de wereld kan redden van de verschrikking. En dat is van alle tijden. Ook van onze tijd.

“La petite bonté”, “de kleine goedheid”, en daarmee wil ik deze overweging besluiten. Er zijn volgens Levinas individuele gewetens nodig die gevoelig en kwetsbaar durven zijn voor het leed van de afzonderlijke en unieke Ander. Ze overschrijden daarmee het gewone en nemen het andere zachtmoedig op. Deze gewetens dragen de wereld, ook al hebben hun daden geen magische kracht om de hele wereld en de geschiedenis te doen veranderen. Het gaat over de zogenaamde “dwazen” en “naïeven” die in alle zachtmoedigheid de ander vóór laten gaan.

Het bijvoeglijk naamwoord “klein” in de “kleine goedheid” wijst op het concrete en bescheiden karakter. Het gaat om een goedheid die zich in heel concrete omstandigheden van de ene mens tegenover de andere mens voltrekt zonder te wachten op een organisatorische structuur die de oplossing wel zal brengen, ooit. De kleine goedheid wil niet alles oplossen maar alleen een heel concrete daad van goedheid stellen ten opzichte van een welbepaalde nood van één welbepaalde Ander.

Het wonderlijke, dat kun je niet horen, maar wel zien als je Levinas leest, is dat hij het woord ‘l’Autre’, ‘de Ander’, schrijft met een hoofdletter!

De kleine goedheid is de goedheid van de nederige mens die in het besef van zijn eindigheid zijn hoogmoed achter zich heeft gelaten en op het moment dat ertoe dóet hulp en nabijheid biedt. De kleine goedheid kiest voor een bescheiden, voorlopige, maar reële daad van barmhartigheid tegenover de unieke Ander. Wie dat doet, ervaart ‘du moment’ dat hij of zij dat doet zijn of haar persoonlijke plezier-piek.